Een hybride probeerseltje

Wat moeten we nu met de tekst die lange tijd beschouwd werd als oudste Nederlandse tekst en ook nog eens – zij het heel voorzichtig- omschreven zou kunnen worden als een vorm van poëzie? Is het wel een poging om in de eigen taal te schrijven, zoals we lange tijd hebben aangenomen of is dat iets dat we graag willen denken?

Hebban_olla_vogala_fragment

Raadsels, raadsels en nog eens raadsels. Dat is eigenlijk waar het om draait bij de volgende tekst:

Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi(c) (a)nda thu uuat unbidan uue nu

Met een beetje fantasie valt in dit stukje tekst een Oudnederlandse zin te ontdekken:

Alle vogels zijn nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wachten wij nu op?

Toen de tekst in 1932 door de Engelse germanist Kenneth Sisam gevonden werd in een prekenhandschrift, oordeelde hij dat het hier moest gaan om een Oudnederlandse tekst. Lange tijd werd aangenomen dat dit de oudste Nederlandse tekst was. Inmiddels weten we beter.

Religieuze geschriften, daar vindt je de oudste teksten in. Logisch, want de kerk schreef. Monniken schreven. Dus is de oudste Nederlandse tekst tot nu toe gevonden een religeuze tekst. Er bestaat voldoende reden om aan te nemen dat de runeninscriptie van Bergakker misschien wel de oudste tekst is. Deze tekst dateert uit de eerste helft van de vijfde eeuw. Het nadeel aan de inscriptie: het gaat om runenschrift en zou misschien wel geschreven kunnen worden in het Oudnederfrankisch. Niet helemaal Nederlands dus, hoewel gevonden op in Bergakker in 1996. Het zou overigens meteen bevestigen, dat de Franken zich ook in de Betuwe opgehouden hebben.

haþuþȳwas ann kusjam logūns

De tekst is afkomstig van de opening van een zwaardschede en verwijst naar een vlam of een zwaard:

Ik(hij?) gun(t) een vlam (zwaard) aan de uitverkorenen

Andere intepretaties gaan uit van het geven van een zwaard door een goddelijke speekrijger, Haleþwas.

Hoewel deze tekst weinig te maken heeft met poëzie, zou ze prima uit een gedicht kunnen komen. Poëzie of dichtkunst ontstond vermoedelijk ergens in het Midden-Oosten, toen men bepaalde verhalen ging overdragen. Overdragen werd makkelijker door rijm en jambe toe te voegen. Net zoals de eerste Nederlandse tekst is er geen persoon aan te wijzen die ervoor verantwoordelijk mag zijn. Poëzie is daarmee een kunstvorm te vergelijken met de uitvinding van het wiel. Datzelfde geldt natuurlijk voor schilderkunst. Telkens weer vindt men nieuwe bewijzen om aan te nemen dat men op een bepaald punt in de geschiedenis ermee begon.

Overigens is voor sommigen nog steeds de vondst van de Wachtendonckse Psalmen (tiende eeuw) het bewijs van de oudste Nederlandse tekst. Weer anderen zijn van mening dat de Salische Wet uit de zesde eeuw de oudste Nederlandse tekst bevat.

Maltho thi afrio litho

Dit staat voor:

Ik zeg je: ik bevrijd je, laat

Hoewel de tekst onderdeel is van een Frankische wet, komen er enkele Oudnederlandse woorden voor. Hiermee is dit dus de oudste Nederlandse tekst, wanneer we de eerder genoemde runen buiten beschouwing laten.

En dan terug naar die tekst die in 1932 werd gevonden. In menig geschiedenisboek voor de middelbare school, zal de tekst netjes vermeld staan. Er is op zich niets mis mee, wanneer je de tekst wilt beschouwen als oudste Nederlandse vorm van poëzie. Dan is dit inderdaad de oudste tekst. De andere teksten gaan niet over poëzie. Alleen er zijn wat kanttekeningen.

Is de tekst echt Oudnederlands. Lange tijd werd aangenomen van wel. Het zou gaan om een West-Vlaams dialect. De reden om dit aan te nemen is de aanwezigheid van sterke klinkers in de tekst. Alleen de aanwezigheid van het woord abent, zonder H, is een kenmerkend verschijnsel in de meeste Ingveoonse dialecten en dus niet alleen van het West-Vlaams. Tot deze tak van dialecten behoren alle talen die leken op het Germaans en gesproken werden in de buurt van de Noordzee. Ook Oudfries, Oudengels en Oudsaksich behoren tot deze familie van dialecten.

742px-Hebban_olla_vogala_overview

Het was de Belgische hoogleraar Luc de Grauwe, die in 2004 kwam met een nieuwe theorie. De tekst zou geschreven zijn in Oudengels. Misschien zou het zelfs gaan om een mengtekst. Een uitprobeersel zou je kunnen stellen. Dat verklaart ook de bladzijde waarop de tekst is teruggevonden. Je zou kunnen zeggen dat het om een kladje gaat. Een uitprobeersel. Misschien zelfs een hybride probeerseltje. De Latijnse tekst staat er immers ook op, net zoals de woorden probation penne. Latijns dus voor het uitproberen van een (nieuwe) pen. Misschien is het niet meer geweest dan dat en had de schrijver niet kunnen bevroeden, dat deze tekst lange tijd beschouwd werd als een eerste Nederlandse tekst.

Schrijver of schrijfster. Het taalgebruik suggereert dat de tekst misschien wel eens geschreven kan zijn door een vrouw. De tekst vertoont overeenkomsten met de teksten die door vrouwen werden gezongen; Spaanse volksliedjes.

Er is meer twijfel als het gaat om de inhoud van het zinnetje. Is het zo, dat de schrijver op zoek is naar een vogeltje om een nestje mee te bouwen of is er meer aan de hand? Waarom zou een geestelijke zo schrijven? Immers, de kerk verbood een huwelijk voor monniken en nonnen. Een celibaat leven werd voorgeschreven. Ervan uitgaande dat de schrijver of schrijfster niet wilde rebelleren, valt aan te nemen dat het hier gaat om een diepere, religieuze boodschap. De schrijver of schrijfster verlangt naar het moment om opgenomen te worden in een gemeenschap. Een gemeenschap van God of misschien zelfs het huis van God. Dit hoeft niet te verwijzen naar het leven ná de dood, maar zou ook een wens kunnen zijn om de rest van het leven door te brengen in bijvoorbeeld de abdij. De woorden probation penne, gaan daarmee dus wat verder dan een proeve van de pen; ze worden daarmee een proeve van bekwaamheid om toegelaten te worden. Misschien is dat wat het was: een toelatingsexamen.

Over de zwaluw

Maar de regels die zoveel indruk gemaakt hebben, is dat nu ècht poëzie? Strikt genomen is de grens van poëzie en overige literatuur een vage grens. Ze kan te alle tijden overschreden worden. Dat is het mooie aan poëzie.

In de tijd dat de zin werd geschreven, werd al volop gedicht. Zij het in Latijn. Door alle aandacht voor Hebban olla uogala zou je dus bijna vergeten dat er meer is. Zo is er Over de zwaluw.

Versus Ratbodi Sanctae Traiectensis Aecclesiae Famuli De Hirundine

Est mihi corporeae species aptissima formae,
Quae fore terrigenûm nulli onerosa quaeat;
Vix etenim digitos numerat mensura quaternos,
Formula qua constat corporis arta mei.
Unde dei templis fas est mihi ponere nidos
Inque hominum pullos aede fovere meos.
Agricolis autem veniens nova gaudia porto;
Garrula nam ‘vacuum scindite’ clamo ‘solum’.
Quorum sub laribus medicam dum congero glebam,
Nequiquam augurio spondeo fausta meo.
At mihi mirandum tribuit natura secretum,
Quo medicans pullis lumina reddo meis;
Nam mihi Phytagoras hac coedit in arte magistrae,
Quem frustra caecus, ut reparetur, adit.
Inde est quod nostro nomen de nomine nascens
Urbe tenus crassis accipit herba locis;
Quod qui nosse velit, Grecos primum ore sequatur,
Mox et hirundineam Roma et hirundo dabit.
Ergo iuvat nostrum, lector, tibi dicere morem,
Quo mirere magis cuncta creantis opus.
Floriferas auras et frondea tempora capto
Tumque per humanas hospitor ipsa domos
Atque ibi spectandum cunctis confingo cubile,
Segnis inersque manus quale patrare nequit.
In quo nata mihi praedulcia pignora servo,
Donec me valeant per spatia ampla sequi.
Hunc mihi iungo gregem, et volucres mox explico pennas;
Impigra sic totam duco volando diem,
Nec tamen id frustra: dum quippe per ardua trano,
Arrident densis aethera laeta satis;
At, cum limosas pennis contingo paludes,
Tum pluvia et ventis, Aeole, tundis agros.
Sole dehinc gelido cum ninguida bruma propinquat,
Seu patria pellor seu fugio ipsa mea,
Nec dulces nidos nec hospita limina curans,
Sed propriae sortis indita iura sequens.
Sic rigidas auras ignotis vito sub antris,
Sic quoque naturae do paradigma tenax.
Heus homo, dum causas rerum miraris opertas,
Ne spernas decoris munera quaeso tui:
Tu ratione viges – ego sum rationis egena;
Tu post fata manes – fata ego tota sequor.
His quantum superas, tantum me vince creantis
Imperio parens, iussit ut ipse creans.

De Nederlandse vertaling (met dank aan de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren) ziet er als volgt uit:

Gedicht van Radboud, Dienaar van de Heilige Kerk te Utrecht, Over de zwaluw

Ik heb een lichaam met een zeer geschikte vorm,
waarmee ik voor geen mens op aard tot last kan zijn.
Het is immers maar nauwelijks vier vingers lang;
daaruit bestaat mijn fijngevormde lichaamsbouw.
Vandaar dat ik in kerken nestjes bouwen mag
en in de mensenhuizen voor mijn jongen zorg.
De boeren breng ik nieuwe vreugden met mijn komst,
want kwett’rend roep ik: splijt de kale grond uiteen.
En breng ik in hun huis een beetje klei bijeen,
dan geld ik – tevergeefs – als bode van geluk.
Maar de natuur schonk mij een wonderlijk geheim
waardoor ik bij mijn kroost het zicht herstellen kan;
in die kunst ben ik zelfs Pythagoras de baas,
bij wie een blinde vruchteloos genezing zoekt.
Vandaar ook dat een plant die alom welig groeit
zelfs bij de stad, zijn naam ontleent aan onze naam.
De oudste naam ervan, die vindt men in het Grieks;
‘hirundinea’ komt van zwaluw in ‘t Latijn.
Ik zet u, lezer, graag mijn levenswijs uiteen
opdat u meer bewond’ring voor de schepper krijgt.
Wanneer het lover komt en wind de bloemen brengt,
dan kom ik ook en vind bij mensen onderdak.
Daar maak ik dan een nest dat iedereen kan zien
– dat speelt een luie, onbedreven hand niet klaar.
Mijn pasgeboren, lieve jongen schuilen daar,
totdat ze volgen kunnen door de wijde lucht.
Ik neem die schare mee, we slaan de vleugels uit,
en onvermoeibaar vlieg ik zo de hele dag.
En dat is niet voor niets, want zweef ik door de lucht,
dan lacht de hemel blij het dichte koren toe.
Maar raak ik met m’n vleugels ‘t modderig moeras,
beuk jij het land, Aeolus, met je regenvlaag.
Verkilt daarna de zon, en komt de herfst met sneeuw,
dan drijft het vaderland me weg, of vlucht ik zelf,
bekommer me niet meer om nest of gastvrij huis,
maar volg ik instinctief mijn eigen levensweg.
In verre grotten schuil ik voor de koude wind
en geef aldus een treffend beeld van de natuur.
O mens, beschouwt u het mysterie der natuur,
waardeer dan het geschenk van uw beschaafd bestaan.
De rede heerst in u, maar ik ben redeloos.
U leeft ook na de dood, mijn leven eindigt hier.
Weest u net zo mijn meerdere in ‘t volgen van
uw scheppers wet, want dat beval de schepper zelf.

Hoera, hebben we dan een winnaar? Nou eigenlijk niet. De tekst werd officieel pas gepubliceerd in 1876. Het gedicht zou zijn geschreven door bisschop Radboud van Utrecht. Verantwoordelijk voor publicatie was Ernst Lüdwig Dümmler. Al eerder was het gedicht opgenomen in het archief van het Vaticaan. Zo is de onderstaande versie uit 1564 daar te vinden:

_mad001200501ill142

Dat Radboud het gedicht geschreven zou hebben, dat valt aan te nemen. Alleen de periode wanneer hij dit gedicht geschreven zou hebben, dat is volop onderwerp van discussie. In de negende eeuw werd hij inderdaad bisschop, zoals te lezen valt in de titel van het gedicht. Echter, dergelijk korte gedichten hadden doorgaans geen titels. Bovendien heeft het gedicht toch wel erg veel weg van een schoolopdracht. Wanneer dit inderdaad een dergelijke opdracht zou zijn geweest, dan is de tekst zeker niet in Utrecht geschreven, maar in Keulen of Compiègne. Misschien dat Radboud het gedicht later wel heeft gereviseerd, toen hij aangesteld was als bisschop.

Maar…

Wanneer het ook is geschreven, voor of na de aanstelling als bisschop; het gedicht draagt de naam van een in Nederland woonachtige geestelijke. Een duidelijkere aanwijzing is er niet te vinden. Dat zorgt ervoor, tot het moment er weer iets anders gevonden zal worden, dat dit beschouwd mag worden als het oudste Nederlandse gedicht. De hybride tekst, als deze al geschreven is in Oudnederlands, dan is dit van een latere periode.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *