Een nieuwe lente en een nieuw geluid. Wie kent deze openingszin uit het werk van Herman Gorter niet? Deze lofzang op de lente en op de maand mei werd geschreven tussen 1886 en 1888. Ondanks het taalgebruik, heeft dit meesterwerk van de Nederlandse literatuur nooit aan kracht verloren. Drie boeken met een grote lofzang op de lente. Een schitterend, klassiek meesterwerk, dat is wat het is! Hoewel de maand mei bijna voorbij is, vonden we het gepast om dit meesterwerk te delen.

Inhoud

Bronnnen

Hoewel de tekst van de drie boeken van Gorter ook beschikbaar is via de website Wikisource, bevat deze tekst enige rariteiten als het gaat om de tekst van Gorter. De tekst is overigens op meer plaatsen beschikbaar, bijvoorbeeld via de website van de Koninklijke Bibliotheek of via de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (DBNL).

Analyse

Het is bijna onmogelijk om alle drie de boeken te analyseren. Ja, het is mogelijk, maar deden we dit allemaal in een artikel, dan zou dit artikel bijzonder lang zijn. Laten we ons beperken tot de hoofdlijnen.

Eigenlijk is Mei zoals we dit kennen geen “een gedicht”, het is een drietal boeken welke geschreven zijn door Gorter tussen 1886 en 1889 en ze zijn opgedragen aan Wies Cnoop Koopmans, op wie hij verliefd geworden was. In hoeverre dit alles ertoe leidde dat de twee met elkaar trouwden in 1890 is niet bekend. Je kunt de vraag stellen hoe je iemand kunt weigeren wanneer er zoiets moois voor jou geschreven wordt…

Het gedicht zag niet het levenslicht in een “echt” boek. In de vierde jaargang van De Nieuwe Gids werd Mei in 1889 opgenomen. Een publicatie in boekvorm volgde in hetzelfde jaar (5 maart 1889).

Het eerste boek, eigenlijk een grote lofzang op de maand mei en de lente in het algemeen, leert ons hoe de lente geboren wordt. Ergens op het strand wordt de maand geboren, nadat haar zuster, de maand april, is overleden. Mei maakt kennis met Nederland en vooral het landschap. Uiteindelijk ontmoet ze de god Balder (Baldr), een god uit de Noordse mythologie. Ze raakt onder de indruk van zijn muziek. Hij heeft geen oog voor haar en zodra zijn lied tot een einde is gekomen, verdwijnt hij.

Na wat getroost te zijn door de maan, komt ze terecht bij Wodan. Het lukt haar niet meer om Balder te vinden. In de tweede zag (het gedicht is verdeeld in drie zangen), treft ze hem uiteindelijk weer. Het is geen succes, want Balder leeft alleen voor zijn muziek en wil zich niet binden aan Mei. Ze besluit terug te keren naar waar ze vandaan kwam. Samen met Gorter reist ze dan opnieuw door Nederland. Het einde volgt, wanneer ze sterft en haar zus Juni wordt geboren. Aan het strand begraaft Gorter Mei, op de plaats waar ze is geboren.

Wie nu alleen maar denkt dat mooie gedichten geschreven zijn in andere talen dan de Nederlandse, die komt bedrogen uit. Het gedicht laat zien dat er ook in Nederlandssprekende landen erg veel moois is nagelaten. Het gedicht van Gorter is niet alleen een klassieker, het is een meesterwerk. Een gedicht dat niet onderdoet voor andere gedichten uit de negentiende eeuw. Het zijn de details in dit gedicht die het ‘m doen! Gorter slaagde erin om de lezer te betoveren en als het ware mee te nemen op reis.

Het gedicht moest zijn tijdsgenoten een spiegel voorhouden. In het gedicht komen alledaagse taferelen voorbij. Ondanks de veranderingen in de samenleving zit alles er nog steeds in, zoals het nu is: geboorte, liefde, afwijzing, inspiratie en de dood.

Naar boven

 

Boek I
Bron afbeelding: Jackulus / Pixabay

Boek I

 

 

Een nieuwe lente en een nieuw geluid:

Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,

Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht,

In een oud stadje, langs de watergracht —

In huis was ‘t donker, maar de stille straat

Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat

Nog licht, er viel een gouden blanke schijn

Over de gevels van mijn raamkozijn.

Dan blies een jongen als een orgelpijp,

De klanken schudden in de lucht zoo rijp

Als jonge kersen, wen een lentewind

In ‘t boschje opgaat en zijn reis begint.

Hij dwaald’ over de bruggn, op den wal

Van ‘t water, langzaam gaande, overal

Als ‘n jonge vogel fluitend, onbewust

Van eigen blijheid om de avondrust.

En menig moe man, die zijn avondmaal

Nam, luisterde, als naar een oud verhaal,

Glimlachend, en een hand die ‘t venster sloot,

Talmde een pooze wijl de jongen floot.

 

Zóó wil ik dat dit lied klinkt, er is één

Die ik wèl wenschte dat mijn stem bescheen

Met meer dan lachen van haar zachte oog…

Heil, heil, ik voel hier handen en den weeken boog

Van haren arm. Een koepel van blind licht,

Mild nevelend, omgeeft mijn aangezicht,

Mijn stem brandt in mij als de geele vlam

Van gas in glazen kooi, een eikenstam

Breekt uit in twijgen en jong loover spruit

Naar buiten: Hoort, er gaat een nieuw geluid:

Een jonge veldheer staat, in ‘t blauw en goud

Roept aan de holle poort een luid heraut.

 

 

Blauw dreef de zee, het water van de zon

Vloot pas en frisscher uit de gouden bron,

Op woll’ge golven, die zich lieten wasschen

En zalven met zijn licht, uit open plassen

Stonden golven als witte rammen op,

Met trossen schuim en horens op den kop.

 

Maar in zijn rand verbrak de zee in reven

Telkens en telkens weer, er boven dreven

Als gouden bijen wolken in het blauw,

Duizende volle mondjes bliezen dauw

En zout in ronde droppen op den rand

Van roodgelipte schelpen, vn het strand

De bloemen, witte en geele als room en rood’

Als kindernagels, en gestreepte, lood-

Blauw als een avondlucht bij windgetij.

Kinkhorens murmelden hun melodij

In rust, op ‘t gonzen van de golf dreef voort

Helderder ruischen als in drooger woord

Vochtige klinkers, schelpen rinkelden

In ‘t glinst’rend water glas en kiezel en

Metalen ringen, en op veeren wiek

Vervoerde waterbellen vol muziek

Geladen, lichter wind. Over het duin

Dreven ze door de lucht tot in den tuin

Van Holland, en die schoon en vol was zonk

En brak in ‘t zinken wijl muziek weerklonk

Schooner dan stemmen, en van mijmerij

Elk duin opzag verre en van nabij.

 

En in een waterwieg, achter in zee –

Duizend schuimige spreien deinen mee –

Ontwaakt’ een jonge Trion en een lach

Vloeid’ over zijn gelaat heer, als hij zag

De waterheuvels om zich en een toren

Van een wit wolkje boven zich, zijn horen

Lag in zijn blooten arm, verguld in blank.

Hij blies er in, er viel een zacht geklank

Als zomerregen uit den gouden mond.

Toen luider lachend wentelde hij rond

En zwom naar boven door den waterval

Van schuim en sneeuw, die drijft in ieder dal

Tusschen twee waterbergen, zie, hij ligt

Nest’lend in kroezig water, ‘n wiegewicht

Door moeder pas gewasschen in haar schoot;

Het drijft van ronde druppels, overrood

Reiken de armpjes, uit het mondje gaat

Gekraai; zoo dreef hij, in het bol gelaat

Tusschen de lippen in, de gouden kelk,

Fontein van gouden klanken, een vaas melk-

Wit was hij drijvend met gemengden wijn,

Vurig rood blozend door het porselein.

Nu zetelt hij in ‘t water, baar na baar

Ziet hij al lachend rijzen na elkaar,

Daar schatert hij en spant den blanken arm,

En door het water gaat een luid alarm.

 

Toen werd de zee wel als een groot zwaar man

Van vroeger eeuw en kleding, rijker dan

Nu in dit land zijn: bruin fluweel en zij

Als zilver en zwart vilt en pelterij

Vèr uit Siberisch Rusland; geel koper

Brandt vele lichtjes in de plooien der

Hoozen, in knoopen en in passement

Van het breed overkleed, wijd uithangend.

 

Was zoo de zee? Neen, neen, een stad geleek

Ze, pleinen en straten in de kermisweek,

Boerinne’ en boeren, en muziek en dans

In de herbergen en in lichten krans

Om elke markt de snuisterijenkramen.

Of als een koning komt en alle ramen

Zijn licht des avonds en uit ieder dak

Een witte vlag. Zoo was de zee, er stak

Een vlag van alle gevels, achter ‘t raam

Der golven brandden rijen lichten, saam

Liep heel het volk. Meermannen zwommen aan,

Nimfen en elven der zee, en zaten aan

De groene hellingen. Maar Tritons woorden stonden

Oud en gebaard ter zijde, aan de monden

Trompetten, bouwende een lange straat

Geluid over het zeegelaat.

 

Toen werd het stiller en een wolk van licht

Begon te drijven op het zeegezicht,

Dichtbij de wolken waar een witte schaar

Van jonge winden zat te lachen. Daar

Werd alles zwijgend. En een gele boot

Kroop uit den nevel en daarin school rood,

Vooraan en vóór het linnen zeil, een kind…

Wee, wee mij, nu mijn hart mij overwint,

En mijn stem stom slaat nu dit nieuwste woord

Geboren werd…er is iets dat mij bekoort

In ieder ding, en die dat weet, hij gaat

Altijd langs watren, door jong gras, en laat

Zijn voeten koel in dauw van wei.

Voor hem is ‘t nimmer nev’lig, maar een Mei

Van kind’ren en een stroom vabn bloemen waar

Zijn woning is, en zóó is ‘t ook mij, maar

Dit kind was louter, niets dan lieflijkheid;

Het zat zoo stil te staren, zoo verblijd

Blonken haar oogen in het schaduwlicht

Achter het zeil, zoo bloosde haar gezicht,

Zóó mooi, zóó zacht was ze, een rozeblad

Geblazen door den waremn boschwind, dat

De beek afloopt onder den hazelaar,

En dan tusschen de lage weiden, waar

Het groen is en de hooge hemel blauw.

Blij en verwonderd of ze nòg niet wou

Gelooven ‘t water, tot verwond’ring week

Voor veilig lachen en ze beurt’lings keek

Naar schuimfonteinen en de gladde kruin

Van golven in dien witgebloemden tuin

Der zee, of naar den Wind, die danste aan

Als ‘n jonge kerel op een kermisbaan,

Of naar ‘n visch, die roode vinnen uit

Het water stak. Dat alles was een buit

Voor jonge oogen. Daar veel verder stond

Hoog op zijn teenen een zeegod, zijn mond

Bolde op een gouden horen. In het rond

Brak één geluid van water en van lucht,

En alles nieuw voor een die zulk gerucht

Nooit hoord’; haar hoofd werd voller en ze deed

De oogen toe en rustte – de boot gleed

Langzamer verder; onbeweeglijk scheen

De zon, de wind liep mee en om haar heen.

Wie was ze? Van de twalef zusters één,

Die op de zon staan, hand in hand, alleen,

Als ‘t spel van kindren in een kleinen kring.

Om beurten gaat er een en breekt den ring

En laat de andren bedroefd achter, maar

Veel zijn hun tranen niet, het weenen waar

Zoo gouden licht is, kan niet durend zijn.

Zoo zijn ze weldra blij weer en hun pijn

Houdt op – toch was hun droefheid nu het meest

Bij deze laatste leegt’, er was geweest

Zoo lang gelach met haar, zij was altijd

De schoonste en de vreugd van elk, waar nijd

Niet is. Nu Was zij heen. De zusterrij

Boog over luistrend, ziende hoe ‘t getij

Met haar hoog ging. Er mistte een waas geluid

Van brekend schuim en gouden horens uit,

Omhoog tot haar. Die kindren keerden om,

En stonden naast elkander, weenend, stom.

Dat zijn de blonde maanden die daar staan,

Gelijk geboren toen de moedermaan

Heel zwaar was in een starr’gen winternacht.

Naakt baarde zij ze, maar de zon hield wacht,

Koudrood zooals hij met Aurora kwam,

Die sloeg ze in haar kleurig kleed, hij nam

Ze tot zich. Zie hoe blank en blond ze staan

In ‘n ring van blond haar, één is heengegaan,

De liefste, blondste, ja de kleine Mei.

 

Niets in de ruime wereld is zoo blij

Als deze aarde: Cynthia als ze zit

In hare nachtboot, toont het blank gebit

Van lachen en de tweelingsterren staan

Stil bij haar, vragend: zal ze hier langs gaan?

En er is altijd vreugde in de lucht

Waar zij voorbij is en het zacht gerucht

Van hare vleugels wijkt. Dan liggen bloemen

Op haren weg en kleine eng’len noemen

Ze zamelend haar naam, hoe vol ze was

Van wonderen. En in het dichte gras

Dat in de hemelwei groeit, liggen zij

Lang pratend’ of alleen in mijmerij.

 

Eén ding is droevig en maakt zacht geklaag

Altijd om de aarde heen, ‘n nevel vaag

En luchtig om dat lijf: ‘t is wisseling

Van zijn en niet zijn en dat ieder ding:

Zielen en bloemen, drijven naar dat rijk,

Waar ‘t wit en stil is en den dood gelijk.

Want zooals altijd aan het eind van ‘t jaar

Trekvogels uit het land gaan met misbaar

Van vogelstemmen uit de hooge lucht,

De kind’ren op de straat hooren ‘t gerucht

En kijken, zeggend: ”zomer is voorbij,

De kou komt” – in de wolken gaat de rij

Van vogels — zóó zóó gaat alles voorbij.

Maar zooals ik eens aan het strand der zee

Was ‘s avonds, doch niet was mijn hart te vree

Maar bevend en ongerust — en zooals toen

Vlak voor den hemel, voor het vermilioen,

Een vogel, een zwart beest vloog, duidelijk

Gespreid op staart en veer: daaraan gelijk

Komt élk ding en is schoon

Omdat het eenzaam is. Het is de zoon

Van Onrust, in de scheemring van zijn schoot

Geboren, en sterft eensklaps waar de dood

Het neerslaat – maar het staat voor ‘t licht

Zijn leven lang. Welaan, ik zoek ‘t gezicht

Van Mei zoolang zij in het leven was.

 

Zij dreef nu langs de banken, waar een wolk

Van rood zand elke golf afstuift, het volk

Zat daar in scharen, maar een groene grot

Wat verder ‘n meermin en een watergod.

Mei zag ze en lachte en een zacht geschater

Klonk even bij haar, toen kwam van het water

Klappend een vlaag van handgeklap en toen

Gesnap van tongen, zooals vrouwen doen.

Maar hij keek fonklend en een rood gebloos

Verroodde háár wang – Mei stond op, een doos

Van zilver stond in hare hand, een poos

Hield ze roerloos – van haar arrem gleed

Langzaam een plooi weg uit het witte kleed.

Toen zagen honderd oogen, werd het stil,

Zoodat niets meer gehoord werd dan ‘t geril

Dat water maakte op de heuvels en

‘t Gedempte lachen van wie nalachten.

Het zilver schitterde – daar vlogen heen

Twee fladderende vlindertjes de één

Als twee blaadjes ivoor van Indië,

En een als lapjes sjaal uit Perzië

 

Wiss’lend van glans de vlinders dansten voort,

Over de branding heen, toen klonk het woord

Van Mei: de lange dag vindt nu zijn eind

In ‘t wolkig westen: ziet, de zon verkwijnt

Al, het wordt donker en later en ik mag

Niet langer blijven. Zwemt nu heen. Ik zag

Zoo even reeds het lichten van de ster,

Den page die mijns vaders kleed draagt, ver

Achter het Oosten wacht de maan, een zweem

Van blank licht zwelt al van den diadeem.

Daarom vaart wel. Van hier. Maar vaart al zacht,

Want gaarne wilde ik mijn eersten nacht

Dragen in stilte. Ziet, daar is de maan,

Een vriendelijke gezellin, gij kunt gaan.

 

Zoo als des nachts de eenden, in het gras

Slapend, dat in de sloot groeit, met geplas

Plotseling wakker worden, snaterend,

Slobberend kroos, één staat er overend

Zijn vleugels slaand’ en kruischt hoog in den nacht;

Zoo werd uit diepe stilte onverwacht

Beweging toen zij gingen. Maar nog lang

Verglomme’ in ‘t nat trompetten, een gezang

Zongen een school meermannen, die heenzwom,

Hier dreven minnenden, ginder beklom

Een jonge god een hooge golf en keek

Of Mei stond waar zij stond — o zij geleek

Een kleine witte baak; er werd in zee

Verlangd dien nacht om met de golven mee

Tot haar te gaan. Menig en menig prins

Zag zijn koralen leger niet, maar ginds

Zaten ze in hun mantels, waar heel ver

Het water spoelt onder een lage ster.

 

Zij was nu bijna bang, nu ze alleen

Gelaten, droeve golven met geween

Zag komen, zooals vrouwen die rondom

Een doodverdonken man gaan – om en om

Slaan de armen met een wijd en woest gebaar –

Zoo vielen ook de baren na elkaar

Aldoor donkerder en haar hart werd leeg

Door angst, tot plots van uit wat wolken zeeg

Regen van stralen en de gouden maan

Het water laafde. Zoo heb ik zien staan

Een monnik bij een volle donkre ton

Met glazen geraad, en weg nam hij de spon

Dat ‘t vonken spoot in bekers of de wijn

De zon nog in had van den geelen Rijn.

Zoo stond de maanvrouw in een hoogen wind

En boog de urn voorover voor haar kind.

En tusschen zee en wolken leek een kelder

Van wijn verlicht, ‘t wijnwater plaste helder

Over haar voetje. En om haar volle kuit

Toen zij door ‘t maanlicht waadde, lachten uit

Iederen druppel beeldjes van de maan;

Zij zag het telkens en bleef telkens staan.

 

Er lag op ‘t strand een zandheuvel, een fort

Als kindren bouwen, schuim en water stort

De grachten binnen als de vloed opkomt:

De bloote voetjes vluchten, de zee gromt.

Dat bouwden visscherskindren of misschien

Wel elven der zee, zooals men ‘s zomers zien

Kan, op een morgen, als de zon heel vroeg

Begint te schijnen, en juist licht genoeg

Geeft; in de verte is er dan een schijn

Van loopende kindren haastig uit het duin,

Jongens en meisjes, flauw rooskleurig, naakt.

Ze zijn er niet meer als ‘t zand witter blaakt.

Zoo was dit fort gebouwd misschien, waar zij

Ging zitten tegen ‘n wal aan, om en bij

Lagen de schelpen, die het maanlicht maakt

Schatkamertjes van lciht, maar als het staakt,

Dan is de glinstring dood en huist gekreun.

Er binnen, geen behagelijk gedeun

Meer van de zomerachtermiddagen.

O wat verschrikte haar het wisselen

Van ‘t donker in de lucht en op de zee,

En van het melkig licht als de maan glee

Uit losse wolken in een zwartblauw meer,

Waar sterren fonkelden, maar keer op keer

Wegstierven, als grasbloempjes bij een roos

Gegroeid.- De gulle maan vergoot een hoos

Telkens van stralen, ‘t was een lange tijd

Voor ‘t hart weer stiller ging der kleine meid.

 

En toen zij daarna insliep, was het of

Een moeder heenging als haar kind slaapt, dof

Verblonk in moeders hand de maanlamp, kort

Achter de dunne wolkschermen, een schort

Grauwbruin hing voor de lage lucht; een deur

Waarin de maan verging, één lange scheur

Brandde nog lang en werd pas laat gebluscht.

Zij sliep op ‘t rustig strand; even gerust

LAg ze als een der schelpen, er bewoog

Niets dan het ondiep water, dat soms hoog

Tot bij haar opliep, met een flikkering

In een licht rimpeltje, alsof een ring

Van geroest goud daar lag, en daarom heen

Het water speelde met den edelsteen;

Zij lag drinkend den slaap, zonder gerucht

Blies zij haar adem in de koele lucht.

 

En toen begon daar op het wijd tooneel

Der zee, als een oud drama waarin veel

Geroep van moord is, en de lucht van bloed

Hangt in de zaal – de scène is leeg: er woedt

Een dolle storm om ‘t hooge huis, er vallen

Schoorsteenen en de wachten op de wallen

Hooren geluid van vijanden in ‘t veld.

De regen huilt en gudst, wind giert, daar snelt

Een moordenaar het huis uit en men weet

Dat daar een lijk ligt: donder rolt en wreed

Rijt over het tooneel de maan een streep.

 

De diepte leek te kermen van wie scheep

Eens gingen uit dit land op winst en buit,

En die ook keerden, zilver en stapels fruit

Van de Antillen voerend in de prijzen

Op sleeptouw, visschers zagen ‘t bootsvolk wijzen

Naar torens op de kust wanneer ze langs

Hun boorden varend, den oranje glans

Van appels en citroenen zagen en de kleur

Van goud en zilver, en den zoeten geur

Roken, die uit de open poorten sloeg.

Maar als de nacht kwam en haar wolken droeg,

De zware kussens die haar leger zijn,

Waarin ze lui slaapt – dan zag ze de lijn

Breken en ‘t stranden van het rijke schip.

Ruw klonk het lachen van haar donkre lip.-

Die leken nu te kermen: tusschen goud

Lang gelaten onder water, oud,

Doodsbleek en doodzwart, van hun lippen vlood

Een flauw geroep als van mannen in nood.

En wiegd’ in ‘t water. Dat was schrikkelijk.

Maar Mei was doof van slapen, liet geen blik

Van hare oogen glippen, was

Een nachtelijke bloem in veel zwaar gras:

Zij lag drinkend den slaap, zonder gerucht

Blies ze haar adem in de koele lucht.

 

Lang klom dat akelig gehuil alleen

Uit zee, het leek het druppelend geween

Dat in de bosschen herfst maakt, en de wind

Een schouw door in de kamer, waar een kind

Probeert te slapen. Maar het voelt geween

Ook in zichzelf en slaapt niet, zo alleen

Liep dat geluid de zee rond, nu eens hoog,

Hoog in het donker, waar de wind bewoog

Angstig de wolkzoomen, en dan heel laag

Waar tusschen dommelende golven traag

Walvisschen zwommen op hun logge romp.

Dan klonk het als geroep van een roerdomp

Te middernacht, die schreeuwt uit het moeras,

Zoodat de reiziger in het boschgras

Dat langs den grijzen straatweg groeit, blijft staan,

Onder de bladerschaduw; in de maan

Gaat hij dan verder, vol verwondering.

 

Wat is er in de verte schemering?

Bevangt de lucht ontroering? Komt er thuis

Een rij van visschers, wat is dat gedruisch

Als van een bui zeeschuim? Ik hoor gekras

Als van een vogel als er storrem was

En er een lijk ligt op de grijze kust.

Wat is er, wat verstoort de stille rust

Van Mei, die de oogen opent en daar zit

Staroogend, als een kranke vrouw in ‘t wit?

Of zijn het ook haar wonderlijke droomen

Die daar in optocht langs den zeezoom komen,

De witte golven lekken hunnen voet.

Het oog van Mei gaat glanzend hun temoet,

Wat is het dat die donkre mannen dragen

In monnikskap en pij, hoor, hoor, ze klagen

Als om een doode; die ligt op de baar.

Zij is nog jong en in het blonde haar

Dat hangt, liggen de bloemen van April.

Wee, wee, het is haar zuster, zie, ze wil

Al tot haar gaan, kussen de witte hand

Die ligt op witte wade, van het zand

Kàn ze niet opstaan, hoor, hoor, hoe ze schreit.

Daar fladdren kraaien en hun schreeuwen rijt

De lucht aan flarden, en een dof gedruisch

Als van een sneeuwbui om een donker huis,

Zwiert om de voeten die al verder gaan.

Stil, kind, wees stil en zie het niet meer aan.

Daar rijdt de Dood, die bleeke groote man,

Den donkren stoet al na, hij alleen kan

Ons troosten, daar rijdt hij, is nu voorbij,

Stil, stil, wees stil, wat dood is berregt hij.

 

Zooals de schapen van de heide, laat

Doot ‘t groene avondlicht gaan, dat wie staat

Op een bemosten heuvel, ze ziet gaan

Van den heizoom en in een donkren laan,

Den hoek om – zoo verliet die donkre troep

Die zij nazag zoolang nog het geroep

Van vogels opging, het gerekte strand.

Toen zonk de angst van haar gelaat, haar hand

Lag droomend naast haar, klein en blank en loom

En veilig en sliep mèt haar en geen droom

Kwam meer, het was alsof de Dood

Die meenam toen hij in het Noorden vlood.

 

Weet iemand wat op aard het schoonste is,

Het allerschoonste? welks gelijkenis

Hij ziet in alles wat hem vreugde geeft?

Waarom hij lief heeft wat rondom hem leeft?

Waarom diè rijkdom en diè een vrouw

En één zichzelf, hoewel ze allen nauw

Weten dat ze iets zoeken dan een woord

Alleen? Weet iemand dit? Wel hoort.

Het is waarom het kuiken zoekt de hen,

Het kind de moederborst, waarom ik ben

Bang voor den winter en den herfst, den nacht

Van ‘t jaar – waarom een jong kind niet de pracht

Der sterren liefheeft, wel een vlam en vuur

Van een wit kaarsje – met een klaar getuur

Ligt hij op ‘t kussen wakker, lang en met

Zijn oogen volgt hij ‘t waaiend flikkren, het

Vlammetje brandt nog in zijn droomen voort.

Het is waarom zang en muziek bekoort,

Maar marmer mij verschrikt en witte kleur,

Ik roode rozen liefheb en den geur

Van blinkend fruit en verf van donzig ooft.

Het is waarom een meisje een man belooft

Te stoven in haar armen en verlangt

Naar ‘t warme mooie huw’lijksuur, ze dankt

Hem voor zijn liefde, of hij anders kon.

Het is vuur, de warmte, ‘t is de zon.

 

De wolken werden van een licht karmijn,

Uit grauw van plassen welde gloor, en wijn

Verwolkte hier en daar tusschen de golven,

Als Bengaalsch licht, het werd dieper bedolven

Door ruige schuimkoppen, maar ‘t lachte toch:

Zoo lacht in waterkelk wijndroppel nog.

De zee werd aan een oud Grieksch land gelijk

Zooals dat nu is, maar eens was het rijk

Aan beelde’ en tempels; nu liggen dooreen

Zuilen en blokken kapiteel: de steen

Verweerde in brokken en werd schaduwig.

Er groeien anjelieren en honig

Zuigen daar bijen, toch lijkt het droevig

Wanneer de zon pas schijnt. – Maar ‘t werd een dans

Weldra van alle kleuren op de schans

Van wolken, die nog op het Westen lag.

Een wind begon te waaien en een vlag

Leek wel te klapp’ren, of een blanke zwaan

Zijn vlerken uit te slaan stond bij een baan

Van vijverwatere, veeren rak’len los,

En schuim verstoof zooals die vogeldos.

De zon ging aan ‘t vergulden, spiegelglas

In goudsculpturen dreef in zee, er was

Speling van kleuren en in elken kuil

Ontsproten kleuren, gingen kleuren schuil.

Daar waren ‘t zeepsopbellen, maar aan ‘t strand

De kleuren van dat dartel tooverland,

Dat schelpen elkaar maken: violet,

Grijs parelmoer, geele barnsteen, omzet

Met kleine schelpjes als van nat granaat.

Daarvan steeg damp op met een incarnaat

Van al die glanzen tot één witten gloed,

Langs ‘t heele strand. Maar het werd wonderzoet

Te zien, toen Mei daarin haar armen stak,

Ontwakend, oprijzend, zich op het vlak

Van hare handen steunend dat gekraak

Kwam van de schelpen — op haar teere kaak,

Vochtig van slapen, schoot een zonstraal schuin,

Dat het bloed beefde, van den rand van ‘t duin.

Zij keek er langs de zon zelf te gemoet,

Begon te lachen en sprong àp te voet

En schortte ‘t rimplend kleed zóó dat de knie

Bloot bleef — toen stond z’en poosde — wie

Zag in den zomer bij den vollen vliet,

Door ‘t heete weiland, in het blauwe riet,

Ooit zoo een boschnimf lachen, was er ook

Zingend een leeuwerik vlak bij, al dook

Een voren op of dreef een juffer aan

In ‘t blauw, al had ze bloemen uit het graan.

Zulk lachen hoorde ik wel eens op een hei,

Laat na een middag als een donkre bij

Vertoornd naar huis raasde onder zijn vracht.

De heuvels werden donker, maar een dracht

Van geel en purper om de westerkim;

Een nimfje gaat langs ‘t lage hout en slim

Glinstren daar sateroogen, een geschuif

Door dorre bladen, en zijn steile kuif

Zie ‘k voor de lucht gaan; dan klinkt stil gekeuvel

En dan genietend lachen om den heuvel.

Zoo als ze lachte zit een vogel lang,

Een nachtegaal, streelend de lucht met zang,

Met open bekje op een stillen tak,

BNoven een boschvijver, het bladerdak

Laat weinig nachtlicht door, er is geluid

Ver in het bosch, maar boven alles uit

Kweelt toch het zwarte vogeltje zijn slag.–

Zoo wolkte en welde van haar mondje lach.

Zoo stond ze lang, toen ijlde ze al voort

Op roode voetjes, wit zand werd verstoord,

In haar blank kleedje en het gouden haar

Daarover heen en met een ruim gebaar

Van arme’ en handen als een kind en schel

Een uitroep, rinklend als een arrebel.

Nu op het steile duin, zie waar ze staat,

Tusschen het helm dat waait, om haar gelaat

Wind en haarlokken, en een hooge val

Van stroomgoud achter haar, alsof de hal

Des hemels leeg liep langs vergulden trap,

Onzichtbaar ‘t blauw van goud, in handgeklap,

Uitwuivend linnen en een geelen gloed.

Hoe eenzaam blijft de zee nu zij het land in spoedt.

 

En nu haar tooverige tocht begint,

Zoo drijft de maan den hemel in, de wind

Steekt zoo op — laat nu ieder zien naar haar.

Want wie dit eens zag, heeft het lange jaar

Vreugde genoeg en ook in wintertijd

Ziet hij haar oogen nog. Ze huppelt blijd,

Op maat schom’len haar armen als de ra

Van ‘t schip in golven. En de wind loopt na,

En zij loopt door het gouden zonlicht, nu

In heete geltschers zand en dan waar ‘t luw

Is.

 

Binnen alle duinen waar zij klom,

Heetten haar die valleien wellekom,

En baden of ze bleef; stond niet een rij

Van blauwe en geele bloempjes zij aan zij

Geschaard, zooals menschen in een theater.

Zij zeiden alle hare namen, ‘t water

Komt daarbij in den mond, de geele nelken

En vroolijke violen die de kelken

Zacht bengelen doen door het grazig mos,

En koude sneeuwklokjes bij kreupelbosch.

Dat te vergeefs; maar eenmaal leek haar doel

Een effen duinvijver, een vogelpoel,

Die ‘n zomerdag niets doet dan spiegelen

Het kleone vee dat de lucht afweidt en

Zich samen naar den stal beweegt waar ver

Al zware rind’ren liggen en een ster

Des avonds brandt; zoodra die avond komt,

Dalen daar vogels in, het bijke bromt

LAngs heuvelhelling en de flauwe echo

Der avondzee komt door het duin, en stroo

Wuift neigende. Daar stond ze nu en dronk,

De lippen in ‘t hol handje, — ‘t water wonk

Met de wenkbrauwen waar de druppelk viel,

In lichtgroen gras; nauwsluitend om den hiel

Perste het water op, ‘t werd stiller weer

En heel stil, toe sloeg ze de oogen neer

En zag zich zelve. En een blijde schrik

Verstelde haar, het werd een oogenblik

Waarin ze niet dacht, vol van zoet gevoel

Van dartelheid en overmoed — en koel

Lag nog de wel — schroomend deed ze een stap

En zag haar eigen blozen, voor een lap

Weerspiegelend blauw als een rood robijn

Op hofgewaad. Dat was voor ‘t oog festijn

Om naar te zien: haar lippen krulden om,

Ze knield’ om zich te kussen in den kom.

Maar toen vier lippen raakten en haar oog

Zijn glans vlakbij zag lichten, toen bedroog

Het water haar en vaagde rimpels in

De wangen van ‘t beeldig kind, haar kin

Ging dobberen in golfjes. Zij bleef stil,

Geuldig wachten tot de breede ril

Aan de oevers uitstierf. Van haar mondje droop

Een kettinkje druppels, waar ‘t viel daar kroop

Een bloempje uit den grond, een meizoentje.

Zoo zat ze midden in bloemen, en ze

Keek naar hunn witte kroontjes tot de plas

Haar bleed weer stil hield, en het was als las

Ze aandachtig letters van haar schoonheid; zoo

Bewogen hare lippen tot ze bloo,

Of iemand daar was opzag, wien ze kon

Vertellen. Er was niemand dan de zon.

 

Maar ui den vijver vluchtte een beekje heen,

Water louter juweelig licht, een steen,

Een marm’ren kei in ‘t beddingzand, laat kwik

Los, zilver, dat fijn schittring geeft waar dik

Riviergras is gewassen. Zwaar geblaard

Staan jonge planten in de oeveraard,

Het zijn de luistraars naar het zacht geschal

Dat ‘t water maakt. Het springt met zwarten val

En praat en babbelt lager in de schaûw.

Klimpo en varens luisteren, maar nauw

De hooge boomen, die zijn altijd vol

Van zonschijn en van wind en ‘s avonds dol

Van spreeuwgekwetter. Maar laat in den nacht

Is ‘t water hoorbaar als de boomuil lacht.

Als een wit vlindertje liep zij daar heen,

Door bonte vlekjes licht, op ‘t witte been

Bevend schakeerend. En toem klom ze af

Waar het beekwater viel en monding gaf

Tusschen twee weien, die het beide streelt.

Daar staat een wilg, een wachter die zich beeldt,

En kmen grove runderen den stroom

Drinken des avonds, daar valt laat en loom

Het loof af in November, daar licht loomer

In vreemde maanden al de jonge zomer.

Daar stond in ‘t engste hoekje van de wei,

Tusschen wat elzen en een haag van mei-

Doorn rood geknopt, een bloemkorf opgehoopt

MEt versche bloemen, om den korfrand loopt

Een slinger van seringen, ‘t lijkt gewicht

Van bloemen, maar heel binnen in half licht

Glimt nog een boterbloem. Mei had gezet

Haar voet in ‘t weeke zand, en sleepte met

Haar enkels ‘t klare water door de beek,

Die ‘t spoor wegwischte; de oppervlakte leek

Om ‘t voetje pret te hebben, in ‘t lommer

Bleven spiralen spelen op ‘t water.

 

Nauwlijks op ‘t land, daar zag ze in dien hoek —

Zoo ziet een kindje om de deur, wien koek

Beloofd werd — bloemen, en een korten weg

Nam zij er heen en liep onder de heg

Dat knopjes schommelden, en gooide dol

Jublend den bloemkorf om. En handen vol

Weer scheppend uit den daus, had ze een dans

Door ‘t heele weiland; geen klaver had kans

Zijn kluwens niet gesierd te zien, het stoof

Van bloemen om die danste, een boom die ‘t loof

Bezwaard van regen strooit, geeft zooveel tooi

Niet aan den grond — het leek ruischend gestrooi

Meer, op den avond van St. Nicolaas

Van gekleurd suikergoed, of als met Paasch

Met bonte eitjes te verbergen gaat.

Zij danste rond en heel de wei had baat,

En ook de beek, want als een springfontein

Die een kolom spuit, maar in drupplen klein

Gemaakt wordt, zoo viel bij haar schouders neer

Een vlucht gebloemte. En telkens wierp ze weer,

De lucht blies ze open. Als een goochelaar

Satijnen ballen gooit, die door elkaar

Omhoog gaan, dat het oog kleurbogen ziet —

Zoo vielen ook veel bloemen in den vliet;

Die nam ze mee en hechtte ze aan den rand

Van landerijen, dat heel Holland brand

Vat van vlammetjes. De schepezeilen

Worden met weidegeur gevuld, en mijlen

Ver wordt de bonte bloesem opgetast

Door wind op ooftboomen. Maar ‘t is geen last.

 

Toen legde ze zich moe onder de haag,

Zooals een koejong, een kalfje, dat traag

Zich op z’n weeke pootjes laat, haar kin

Vulde haar handen. En toen viel haar in,

En dacht ze lang hoe nu het mooi Meiwekr

Bezig in stilte was. Zoo wordt een kerk

Gesierd en zuilen die gewelven schoren,

Met beeldjes volgebeiteld. In den toren

Ziet men arbeiders in hun schootsvel staan;

Men schildert ramen, legt den vloer. Wie gaan

Op straat, hooren daar weinig van.– Zij dacht:

”Zal ik gaan kijken of ik heb gebracht

Den appelboom bloesem, of de oude broeimuur

Den moerbei bloedig maakt, d’oude dorschschuur

De wijnrank al omsluiert. Of zal ‘k hier

Blijven met water spelen, en plezier

Met vlinders maken die daar in de poort

Van ‘t weiland dansen. Of zal ik het soort

Van vlierhout zoeken, waaruit ik een fluit

Boor, om dan door den dorenheg geluid

Te maken in het land hiernaast, dat kalven

Weggaloppeeren: ik kan ook wel malven

Gaan samen zoeken, ook de hazelaar

Is zacht, elzen gezellig met mekaar.”

Zoo dacht ze, maar een vlinder nam de keus

Al dansende, vlak voor haar kleine neus

Knippend en wenkend dat het teekenschrift

Der vlerken moeilijk leesbaar werd, gegrift

Stonden daar runen en een duur geheim

Dat men in Indië weet, het staat in rijm

Op Oostersch roomkleurig tapijt. Heel wel

Wist zij het ook, althans na een kort spel

Van vingers, die toen ook wel vlinders leken,

Had ze ‘m in ‘t handje en haar oogen keken

Met aandacht in het rode kooitje, geel

Zat de gevangene en z’n stuifmeel

Op hare toppen. Zij lag op den rug,

Een knie boven de andere, en vlug

Lazen haar lippen het. Toen lag ze lang

Den hemel aan te zien, niet blij niet bang.

 

Totdat ze òmging en haar wang ‘t koraal

Van haren arm deed dalen, en ovaal

Dien maakte van rond als een zuil. Ze zag

Over haar hand die in de schaduw lag,

Twee oogen en het lichaam van een vrouw

Die lag als zij, ook languit op den dauw,

In ‘t andre weiland in den schijn der zon.

Haar stem was als het ooglicht, die begon

Te klinken en het was als diamant:

”Ik lig hier al zoolang gij aan uw kant

Met bloemen blij zijt, ja lang lag ik al

Hier, toen het grijze ijs dien waterval

Bijna verstremde. Ik heb in winternacht

Menige maal omhoog gegaan, op wacht

Gestaan daar op het duin, wanneer —

Die spotten zelfs bij storm in winterweer —

Ik ‘t roepen van den Triton had gehoord.

Maar als ik boven was, zag ik het Noord

Verlicht van ppolijs en nog helderblauw

Als bij de winterevening, de kou

Deed mij daar rillen in mijn tranen; dan

Daalde ik weer en lag hier droomend van

Lente en u — totdat de ochtendrook

Die op de akkers trekt, lichtte en ook

Weer vogels vroeger vlogen. Toen heb ik

Bloemen gezocht; gij hebt ze, eindelijk.”

Dat zei z’en zweeg; terwijl haar buurvrouw vroeg,

En ‘t was als een schaar vogeltjes, die vroeg

Heenzwieren door een dorpstraat en dan saam

Gaan pikken op de steenen, deur en raam

Zijn nog niet open en er waakt niemand

Dan vogeltjes alleen — zóó werd dat land

Ook stil met al zijn halmen, aan zijn toom

Knabbelde niet de beek, de wilgeboom

Hield stil zijn witte blaadjes van geraas

En voor zijn hol toefde een bruin duinhaas —

”Hoort ge het mompelen wel van de zee,

Ik hoor ‘t zoo gaarne, want het doet wel wee,

Is ‘t niet, een weinig, en mijn zusters staan

Hoog op de zon en hooren het ook aan,

En zijn wat ernstig: hij spreekt zoo alleen

En doet dat altijd, ‘t lijkt wel soms geween.

Maar ik mocht toch zoo gaarne op de zon

Naar zijn geluid hooren, hij was de bron

Van wat wij wisten dat op aard geschiedt.

Men kan van alles hooren in zijn lied,

Omdat hij wolken kent èn lichte zon;

Zoo hoorde ik namen waaruit ik me spon

De wondre dingen zelf, ik was zoo blij

Toen mijn beurt eindlijk kwam. Nu heb ik blij

Duizende dingen al elks naam genoemd.

Totdat ik hier kwam en uw mooi gebloemt

En u vond. Wie zijt ge? Woont ge alleen,

IS dit uw water, groeiden daar omheen

Al deze bloemekinderen? Ik dacht

Ze hadden allemaal op mij gewacht.”

Zoo zei ze en zweeg, en ‘t windeke voer laag

Door ‘t bloemig loover van de meidoornhaag.

En toen het zweeg, sprak uit den zonneschijn —

En ‘t was als een oud dorrpesklokje fijn,

Als ‘t zomermiddaguur klept voor den boer —

Die vrouw: ”Mooi meisj’, uw stem was als gekoer

Van een houtdoffer die uit roet’gen eik

Om ‘t wijfje lokt. Gij maakt de ooren rijk

Aan vleiende geluiden; ik zou wel

Zoo willen blijven luistren naar die sche;,

Uw mond: die is gevuld met overvloed

Van honing, meê voor bijen, bloemezoet.

Ik zou wel willen naar dat klein paleis,

Dat kuiltje in uw borst zien, paradijs

Van bloed en schaduw die er speelt, zefier

Die ‘t weiland inblaast, zal wèl blazen hier.

Maar ‘k zal mij liever van u keeren, en

Terwijl ik u vertellen ga wie ‘k ben,

Niet naar u zien. Zie hoe dat wolkje bruist

Daar boven ons en uitdampt, de zon huist

AL in het midden van zijn blauwe straat

En lacht achter zijn venster. Hoor, daar baadt

Een jonge mosch zijn veeren in de beek,

Daar verder plast een bont kalf in een kreek,

En achter uit het bosch roept een koekkoek.

Hoe stil is ‘t overal; het groen dundoek

Dat om de boomen weeft, hangt roerloos, ‘k wil

Nu gaan vertellen van mij zelf, wees stil:

Ik ben in ‘t midden van dit land geboren.

Daar ligt een weiland wijd, daat kunt ge hooren

Den leeuwrik zingen vliegend naar het blauw,

De rundren grazen, lekkend blanken dauw

En lijken als booten op stoom te drijven.

En als de maan verrijst, jaagt witte wijven

De wind de lucht in, nevel dwaalt heel ver

Nog op het weiland, vangend d’avondster.

Daar liggen in de zon de sloten, beide,

De hooge hemel en de klaverweide

ZIjnopen, en een vogel zoekt vergeefs

Een boom er tusschen; daar is veel geschreeuws

Van wilde eenden, want er vaart een stroom.

Op zomermorgens zijgen daar de room

Boerinnen uit de uiters, helder blinken

De kopren hengsels, melkemmers rinkinken,

Oorijzers glimmen met hun gouden schijn.

Daar ligt de zee vlak naast, geen geele lijn

Van zand ligt daar, het weiland maakt een lijst

Vol grasbloemen en biezene, alleen rijst

Een houten vuurbaak uit het water op.

Dat walst er om heen zoodra van den top

‘s Nachts licht brandt en een donker zeilend schip

‘t riviertje invaart, elfjes met gehip

Wit worden in het schuim om hoogen boeg.

Toen ze mij baarde, want de schoven riet

Die overbogen, zeiden het den vliet,

En die ‘t de zee en die ‘t aan ‘t lichte meer,

Waar op den middag het blank wolkenheir

Statig verzeilt. Zoo hoorden het een visch

En een zeevogel; dien dag was het lis-

Bosch vol geplas en wuivend wit geveert,

Meeuwen en grijze reiger, die weerkeerd’

Des avonds naar zijn boomnest. Op zijn reis,

Zag ik zijn vleugelslag uit het rijs,

Mijn wiegekamer. Nog weet ik het wel.

Mijn moeder was een stroomvrouw en wen hel

De maanschijf hing te prijk, dan zag ik hoe

Zij op mij kwam, een hooge vrouw, en toe

Mijn oogen sloot met een zacht handgestrook.

Die was zoo zacht als wilgbloesem en rook,

Alsof de rozen daar haar morgendrank

Hadden vergoten, heel den nacht was klank

Van citherspel niet van de zee, misschien

Was ‘t wel mijn vader, ‘k heb hem nooit gezien.

Daar groeide ik en leefde als een klein lam

Dat naast zijn moeder huppelt, ‘s avonds nam

Ze mij dicht bij zich als een wollig schaap,

En hoord’ ik haar lang kloppen voor mijn slaap,

Terwijl ik uit mijn warme woning keek

Naar den gezichteinder waar wel een beek

‘s Nachts schijnt te stroomen op den onderzoom

Des hemels, donkerblauw; als in een droom

Schijnt hoog gegroeid riet heen en weer te wiegen,

Met schaarse starren barnend als vuurvliegen.

Maar toen er herfst kwam en de ooievaar

Heenvloog, het gras voor ‘t laatst versch groen was, maar

De lucht vroeg koud en ‘t water donker werd,

Toen gingen wij ook heen waar in de vert’

De reigers nestten in de hooge bosschen.

Daar heerschte een stil vuur op stammen, rosse

Bladeren fladderden af in ‘t mos,

‘t Getakte kraakt’, harsappels drongen los,

Terwijl de wind opflakkerde de vlammen.

Daar liepen wij tusschen de natte stammen,

En zagen hier en daar een witte vrouw

Al dwalen zooals wij; als van herfstkou

Het water in den stroom rilt, dan begint

De groote trek van haar die zomerwind

En zomerzon beminnen. In den nacht

VAren ze heen, al wie den zomer wacht

Hielden bij stroom en vijver. Op de hei

Komen ze samen, daar zijn saters bij

En d’elven met hun koning Oberoon.

Titania is ook daar en haar kroon

Van spinwebdruppen flonkert in de maan

En in haar oog, licht in juweel, een traan.

Zij zegt daar alle nimfen een vaarwel,

En kom hier weder met nieuw waterspel,

Wij allen hebben u zoo lief gehad.

Zij kust mij, lang zag ik op ‘t heipad

Nog naar haar om, zij zat er in een drom

Van gnomen, op een heuvel, die de trom

Speelden droefgeestig en de sombre luit;

Wij hadden op den weg het bont geluid

Van pansfluit en den rinkeltamboerijn,

Een sater droeg een ton geroofden wijn,

En nimfen door het woud goudschalen vol

Van blauwe trossen, dat de schapewol

Van hare vachten gemorst druifnat dronk.

Mijn moeder riep me, als het woudgeronk

De bergen door dreunde, een rotsravijn

Den wind en dor geblaarte doorliet, pijn

Deed hagel het bloot lijf, den voet steengruis.

Totdat wij waren waar in zijn hoog huis

De zuiderzon woont als een gastvrij heer,

De zoldring laat blauwe tapijten neer,

Geplant staan marmren zuilen aan de wanden;

Rozefestoenen uit de bloemelanden

Schom’len er tusschen met een traag gezwaai,

Hij vult des daags met goud zijn hui, gewaai

Maakt hij op blauwe meeren en gezwier

Op bergen, van pijnen en populier.

Mijn woning was een geeleroze struik,

Een marmren vaas met ooren en een buik

Verschool met mij de rozelaar, een pad

Van goudzand lag daar langs henen naar stad.

Daar kwamen bruine kindren op bezoek,

In d’ooren gouden ringen, purpren doek

Om ‘t hoofd, en jonge moeders vol van borst,

Een monnik barvoets, beedlaar met een korst

Oud brood en ezels met een rood schabrak,

Bonte soldaten en een doedelzak.

De lucht was heet in ‘t roosboschje, ik zag

Droomrig die schelle menschen waar ik lag.”

Dat zei z’, en Mei zag met haar als een kind,

Dat vliegers hoog ziet staande in den wind,

Van bont papier. Het was juist een verhaal

Voor ‘n warmen middag en voor vrouwetaal.

En ‘t was alsof ze aan haar oude woorden

Bleef denken toen ze nieuwe zei: ”Naar ‘t Noorden

Keerden wij weer toen jonge bladen kwamen

Aan d’oude boomen; met ons trokken samen

Reisvogeltjes, kanaries en de vink

Die hier ook woont: daar hoort ge zijn getink.”

Ze zei ‘t maar hoorde ‘t zelf ter nauwernood,

Toen nam ze hare handen uit den schoot

En stond op als een blank rund uit de wei.

En zoo sprak ze, maar ag heel ver voorbij

De stille boschkruinen waarin iets wits

Blonk, ‘t was een loandhuis of een torenspits:

”Voor wat ik u nu nog vertellen moet,

Is deze wei niet noch dit licht: de gloed

Van den meimiddazag zou de tranen droogen,

Die schreien zouden uit uw milde oogen,

Die bijna schreien nu ‘k van schreien spreek.

Gij leeft nog lang, misschien vindt gij mijn beek

Wel weer, wanneer een witte wintermist

Nog eens het woud hult en gij u vergist

Hebt in de paden. Loop langs ‘t water snel,

Gij hoort het in den mist kabblen heel wèl,

En vindt me in nevel; ik maak u zoo bleek

Als ‘t water is, benee den mist, der beek.”

 

Toen werd de lucht en ‘t zonlicht dof en droef,

Terwijl ze heebging; alleen werd de hoef

In ‘t weeke gras gehoord van een groot paard,

Dat schrikt’ en ronddraafde met lossen staart.

Zij klom tusschen de stammen waar het bruin,

Dood, jarig loof lag; en verdween op ‘t duin.

 

Er ligt in elk ding schuilend fijne essence

Van and’re dingen. Daardoor wordt een mensch

Als een piano, zóó dood, maar besnaard.

Nu eens rilt één snaar, dan d’âar, naar den aard

Van elk geluid buiten, soms te gelijk

Heel veel. Dat maakt ook een stil arm mensch rijk —

Rijen gevoelens staan bij hem in slaap,

En worden wakker terwijl hij van knaap

Oud man wordt — Ach, er stonden veel zich dood

Te droomen, tot met hem hun leven vlood

En ‘t al voorbij was — ‘t lijkt in oude sprook

Betooverd slot, dat klimop en huislook

Verborgen; binnen is het stil, de wacht,

Pages en vrouwen zijn in slaap gebracht.

Maar als een prins komt en zijn tooverwoord

Spreekt, dan ontwaakt en wijkt wijduit de poort,

Dan liggen kamers open in zonlicht,

En wandlen daar die menschen opgericht.

Zoo is een menschenziel, waar elk ding kan

Elk ding oproepen uit den doffen ban

Des slaaps, laat het maar luiden als een schel

In zijn voorzaal, of bij de waterwel

Heel ver verschallen uit zijn diepe bosch.

Muziek lokt van een ziel muziek weer los,

Die treedt in wondere gedaanten uit

De zielepoort, zoekend dat lokgeluid.

 

Zoo traden bij dit kind, terwijl ‘t verhaal

Verluidde, beelden in de spiegelzaal

Van hare ziel. En onder hen geleek

Zij zelf te loopen, schreiend en sneeuwbleek.

Dat werd betoovering van droefenis,

Zij voelde voor het eerst dat zoet gemis

Van vreugde, en de warme tranenbron

‘t Hart overstroomen; dan verdwijnt de zon

En is er spel van nevel in de ziel,

En zacht maanlicht en traag rijdend gewiel

Van lichte golven in een zee van wee.

Zij voeld’ het led zacht opzwellen en dee

De oogen dicht, dat het niet breken zou

Voor ‘t zonlicht als een bloemknop voor den dauw. —

Maar zooals kinren en ook menschen zijn

Hun droefheid is als ‘t kind dat moeder pijn

Doet als ze ‘t baart, en dat toch sterft — zoo ook

Ebde haar leed weer heen. Het leek de rook

Die van de schouw trekt en ook beelden maakt,

Tot waar de wind hun teere hulsels slaakt.

 

En Zefirus zat nog in ‘t struikgewas,

Daar liep ze heen, hij oefende zijn bas-

Stem, maar hield in toen hij haar zag,

En stak een hand uit, en zei met een lach:

”Blijf nu niet hier, mijn stem is nog te ruw

Voor ooren van dat parelmoer. Voor u

Wil ik een lied maken zoodra mijn keel

Geheel ontdooid is, nu zal ik dit geel

Bloemklokkenspel doen spelen.” Zoo zei hij

En schudd’ een boompje, toen vielen op Mei

De gouden regens. Zelf nam hij er bij,

Zacht bij den groenen steel, lichte papaver:

Die woei daar nog niet lang tusschen de klaver.

Dat werd een mooi tuiltje van geel en rood,

Hij schikte er pluimgrassen bij en bood

Het aan — ”voorkransen heb ik nu geen tijd,

Ik moet nu zingen.” En hij gaapte wijd

En zong — en zij bleef luidkeels lachend staan.

Toen keek hij boos. Toen is ze heengegaan.

 

‘t Was na den middag. Van het woud ging uit

Een zachte adem dampend zongoud, luid

Zongen de zangvogels en vlogen onder

De boomkruinen; zij zag het van een vonder

Hoe ze heenwiekten over ‘t beekkristal:

De blauwe gaaien op den groenen wal,

Waartegen ‘t beekijs plaste en het schuim

Als kleurig druipsteen bleef, in wilde luim

Witzwarte eksters die den dag uitvechten,

En van een eik afzwierend de goudspechten,

En ‘t kleiner boomvolk: roodborst en de mees

En geele lijster en wie nimmer heesch

Wordt, regenroeper. Alles zat heel stil

Zoodra ze voortrad, oogen keken schril

Van takken waar twee duiven in hun tooi

Op schommelden, er daalde een sprietje hooi.

Zij was als een wit beeldje toen ze ging

Een lage laan in, waar de schemering

Nooit optrekt. ‘s Morgens smelt er koele damp

Uit dauw, en ‘s middags brandt de geele lamp

Van ‘t licht er nevelig. En waar de laan

Stuitte op akkers die in breede baan

Lui lagen langs een helling, zat ze neer.

De hemel was in wolken als een meer

Gevat in rotsen. Die zwollen omhoog

Heel ver in ‘t Oosten waar de ronde boog

Ligt van den horizon. Een doffer vuur

Als ‘t rood op Alpen in het avonduur,

Gloeid’ op die sneeuwbergen. Bewegingsloos

Zat zij, er zat een vogeltje een poos

Dicht voor haar op een berketak te zwijgen,

Begon opeens te zingen dat ze ‘t hijgen

Kon zien. Dat orgeld’ in de lucht heel luid;

Om ‘t vogeltje trok gouddamp het bosch uit.

 

En ‘t was vijf uur, en een zwaar akkerman

Zag zij in ‘t zwart staan in den grond, moe van

Zijn dagwerk, leunend op zijn ijz’ren spa.

Hij zag nadenkend een span paarden na

Die ‘n ander door de voor dreef, en juist om

Aan ‘t eind het logge kouter wendde; ‘n drom

Van zwarte akkervogels vloog daar op.

Hij vaagde met een roode doek een drop

Van zweet af, mompelde, en werkte weer;

Goudvlokken sneeuwden op zijn werkpak neer.

 

En heel ver uit het bosch kwam fijn gerucht,

Wielen en stemmen, tripp’lend op de lucht.

Daar was een weg belegd met versch geel grint,

Waarlangs een houthakker zijn dorpje vindt;

Maar achter het geluid kwamen gegaan

Eerst kind’ren met helroode jurkjes aan;

Die droegen tusschen zich bloeme-guirlanden.

En groot’re meisjes in het wit, de handen

Gestrengeld, op het gras onder de sparren.

Daarachter op den weg de boerekarren,

Die geel stof sponnen van hun raders op.

Het was een bruiloft; zooals een speelpop,

Met kanten en juweel mooi zat de bruid

Hoog boven ‘t stuiven en de bloemen uit.

De paarden gingen stapvoets dat tuigschellen

Rinkelden, d’akkerman stond ze te tellen

En zwaaide met zijn pet: toen klom ‘t gepraat

Tot een hoog juichen op die geele straat.

En toen ze traden uit het groene woud,

Begon de zon in het gewrongen hout

Van karresnijwerk stil te glanzen en

In kop’ren bussen op de raderen.

Zoo schoof de stoet voorbij in dichte trein,

‘t Geraas verflauwde, menschen werden klein,

Alleen bloemkleuren glansden zichtbaar, ‘t wit

Der meisjes, en van paarden ‘t staal gebit.

 

En midden op de glooijing lag in ‘t licht

Een vierkant veld met bloemen, opgericht,

Van bekervorm. Ze maakten met elkaar

Een tafel, klaar voor ‘t drinkgelag, en waar

De gasten nog niet aanzitten. Vol wijn

Staan al de kelken, dungesteeld en fijn

Geslepen. Tulpen waren ‘t rood en geel.

Rondom, de hyacinthen forsch van steel,

De sombre bloemen donkerblauw getrost.

Hakhout op zode’omsloot ze, zwaar bemost,

Daar hingen, zooals onder zee in ‘t bosch

Kooraalboomen, nog doode bladen los,

Verbruind. Daarin scheen nog de zon vuurrood,

Maar in ‘t gebloemte ging de kleur al dood.

 

Ook lag een dorpje in dat dal, waar rook

Fijn wemelde om heen van schouwen; ook

Dat zag ze. Glans maakte de zin in blauwe

En roode pannen, uit de straat was ‘t flauwe

Gerucht hoorbaar der zwarte smederij,

Het ijzer klonk onder de hamers, zij

Hamerden in cadans de spranken vuur.

De straat was leeg, ze zagen aan deur twee buur-

Vrouwtjes staan spreken en een zwarte hond

Rondloopen. Onder groene linde stond

Een oud man in de westerzon te zien,

En achter ‘n huis ‘n vrouw onkruid te wiên.

Toen ging een schooldeur open en daaruit

Kwamen een stoet van kinderen, geruit

Droegen de meisjes boezelaars, geklos

Van klompen en jongensgeschreeuw brak los,

Twee vochten er, de rest stond er om heen;

Tot meester kwam, toen gingen ze bij tweên

En drieën huiswaarts, broertjes hand in hand.

Zij zag ze hier en daar over het land

En brugjes gaan en langs een lage heg,

En door de dorpsstraat, waar ze plotsling weg

Doken in ‘t huis, geborgen onder ‘t dak.

Toen was ‘t weer stil behalve het klikklak

Van staal en uit een stal dof koegeloei.

Ze kon ook zien hoe in de dorpstraat woei

Tusschen de huize’ een boschje van seringen,

Een duivenpaar vertrok op witte zwingen

Het zwerk met vlerkgeklepper in, en zwom

In kringen voor den steilen hemel om.

 

En toen ze ‘t al gezien had en de klok

Bonde, de lucht beefd’ uren ver, vertrok

Zij ook en liep door weien een lang end,

Waar ‘t gras vol lag gestrooid van schitterend,

Nat diamantgruis. Met gestraalden baard

Raakte de zon de donkerflonkende aard

En lonkte stil oogglanzend. En een stad

Van roode en witte steenen lag daar, zat

Van zonlicht, dat kwam door granieten poort

De glazen straten binne’ en vulde boord

Ze vol. Stond ik niet zelf in avondwind

Vol hooigeur, daar, en zag ik niet dat kind

Buiten de poort onder de beukenboomen?

Ik twijfel…ging ze soms tusschen mijn droomen

Mijn oog voorbij met scheemrend droomespel,

Een slaapschaduw. Neen neen zij was het wel.

Kust’ ik u niet vaak vaak, mijn zoete Mei,

Waar ‘t water aanden weg voorbij stroomt, bij

De blauwe wilgen. O gij waart het wel,

Uw wangen waren zacht als poezevel

En als een schelp sloot uwe mond de mijne;

Mijn bloed de zee daarbij, gij waart mijn kleine

Scheepje dat danste op mijn borst die ‘t droeg.

Gij leekt zoo vol geheimen en ik vroeg

Ze u en las z’en voelde ze in damp

Van warmte uit u wellen. Welk een lamp

Waart gij mijn handen, ik bij u de bij,

uw zoete honing purend, zoete Mei.

 

Soms is het als ik ‘s avonds laat vermoeid

Tracht in te slapen, dat dicht langs mij vloeit

Uw zachte adem en uw stroomend haar.

Uw oogen zijn twee stille vlammen waar

Mijn hoofd ligt op mijn peluw; terwijl ik

Indroom, blijven ze branden liefelijk.

Als toen ge kind waart en om uwen voet

Bloemgeuren walmden en dat licht gebroed

Der wolken m’ over ‘t hoofd voer, als de maan

Ontluikte, Phoebus’ bloem te rust gegaan.

Ik zat bij u als bij een kleine wel

Van levend water, waar ‘t rood elvenspel

Te zien is op den geelen zandgrond en

‘t Omhoog komen van bobbels kristallen.

Gij spraakt heel stil en veel en gaaft m’een schat

Geheimen dien ik bergde bij me in stad.

Gij laagt op mijne armen, mooi warm wicht,

In ‘t blonde haar ‘t rood welriekend gezicht.

Gij maakte uw lippen als een kersje rond,

Ik at zoovele kussen van uw mond.

Gij vluchttet uit mijn arm maar ‘k greep uw hand,

En nam u mede door mijn eigen land.

 

Het was niet heel ver maar het leek toch lang,

Want het was avond en er kwam gezang

Diep uit een dal waar menschen woonden, vaak

Stonden we stil en luisterden, hun taak

Was af, zij blijde — er kwam ook wel

Een zwarte vogel door de lucht, heel snel

Verschietend boven de gezonken zon.

En onder ‘t kreupelhout praatte een bron

Stil voor zich heen, een kind, en toen hij zag

Ons luist’ren, werd hij heel stil, maar een lach

Ritselde nog van verd’re wateren.

Ook zagen we een nestje, waar de hen

LAg naast het haantje, de oogen toe en veer

In veer — maar verder haastten we ons we$ecirc;r.

 

Totdat we kwamen waar de roode bloei

Van een meidoorn de nacht vervuld’. Er woei

Geen wolkje en de geur hing vol en dicht

Om alle takken. Hier verschool ‘t gezicht

U duisternis en klommen wij door ‘t zand

In een diep dal, stilzwijgend, hand aan hand.

En hier was alles wonder, ‘k wilde wel

Hier eeuwen zwerven of een zilv’ren bel

Hiervan altijd doen luiden in dit land.

Ik lag daar neêr, zij naast mij. Uit mijn hand

At ze als brood de kussen en ze boog

Zich over me als een moeder en bewoog

Haar oogen niet weer heen terwijl ze zei:

”Mijn mondje regent kussen en jij, jij,

Dorstige jongen, vraagt maar altijd meer

En nog meer druppen uit dit wolkje. Keer

Nu naar uw stad” — ik zat en wachtte lang,

Mijn hart bonsde, ik had haar zachte wang

Tegen de mijne — tot ze fluisterd’: ”elke laan

Logt noodend open, laat mij hier nu gaan

En zoeken wat daar geurt en wat daar blinkt;

Hoor hoe de nachtegaal in ‘t boschje zingt,

Waar al de bloemen staan, de volle kelken,

Een feestdisch in het grad, en over elken

Roemer verschuimt de geele zoete wijn.”

Zij leek dien al te drinken toen ze mijn

Vingers liet varen. ‘k Stond een lange poos

Te zien hoe ze in ‘t boschje meen’ge roos-

Kelk en violen leêg dronk, die daar blauw

En rood gegroeid stonden in ‘t schemergrauw.

 

Toen vond ze, ‘t was op ‘t hoogste van een kling

Van onbegroeide heiheuvels, die ‘n ring

Van wallen en verschansing maakten om

Het heikamp, een ondiepe kuil, een kom

Vol donk’re erika, nog onbebloemd.

Ze joeg een bij op die er hong’rig zoemd’

Om honing, stapt’ er in, verdwijnend voor

Het roode hemelvuur dat er onder door

Haar armen gloeide. En daar zat ze neer

Met wijde oogen naar de heen en weer

Schomm’lende spruiten van het gras te zien,

Die op den rand geen weerstand dorsten biên

Aan ‘t luwe avondluchtje dat langs vloog

Op transparante vlerkjes en bewoog

De grasjes en zelfs heel verwonderd was.

Zij zag hoe heel langzaam het blauwe glas

Van ‘t uitspansel besloeg met duisternis,

En van het rood alleen de heugenis

Bleef leven aan den opgeblazen zoom

Van een rood wolkje — overdag was ‘t room

Geweest, nu leek het een violenbed,

Heel alleen liggend maar doortrokken met

Een heerlijk paars licht, in verlaten gaard.

Beneden wortelden in lager aard

Bleeke abeel en berken, wier gefluister

Trild’ op de helling. In die boomen huist er

Een wonderlijke schrik voor schemering

En voor elk windje dat hun loover ving.

O er was veel te hooren op dien stond,

Benee stapten kromme kabouters rond

En haalden uit den grond hun oude boeken.

Zij zijn het die des nachts de steenen zoeken

Waar eens druïden spreuk en medicijn

In griffelden tegen de hartepijn

Van jonge helden. Ook nu was de slag

Can ‘t houweel hoorbaar. Toen in ‘t west de dag

Geheel dood was, traden de jonge elven

Hun ondergrondsche huizen uit, daar delven

Des daags ze gangen en een donk’re mijn.

Mijngraverslampen zetten ze, wier schijn

In ‘t gras smaragden zalen maakt. Daar zit

Met perkamenten schrift en in geelwit

Gewaad, een elf den nacht uit en studeert

Geneeskunst, wat de jicht heelt, wat regeert

De pols en ‘t hart. Langs hem gaan met gelach

De elven meisjes dansend, dat een vlag

Hun wapperend gewaad lijtk. ‘t Wuifde zacht

Bij ‘t schuiflen om den heuvel in dien nacht.

 

Maar in de vert’ bewoog een flauw geschreeuw

Het zijden luchtgewaad. Uit oude eeuw

Reden er heksen om den horizon.

Ze dragen kleine kinderen: Mei kon

Het martlen hooren en het sneeuwgedruisch

Van sleepgewaden bij haars vaders huis.

 

Daar kwam de maan en als een admiraal

Voer ze den hemel in, die, zelf in ‘t staal,

Voor op de plecht staat achter ‘t gouden schild.

Wit zwellen zeilen op het blauw, het zilt

Ziedt en verteert in sprenkels fijn zeeschuim.

De vloot van sterren week weerzijds en ruim

Lag daar de heerweg — als wapenheraut

Stoof ‘t wolkje voort, het droeg de kleuren goud

En wit van zijn meestres, en een bazuin

Leek hij te blazen van roodgoud en bruin.

 

Wie kan den glans verdragen van die zon,

Wanneer zij naakt, witgloeiend staat? Mei kon

Het niet en droomde in. De maan bezag

Den ganschen nacht haar met een gouden lach.

 

En in de trillende scheem’ring van het woud

Raakten twaalf kleine ridders telkens ‘t goud

Dat van de maan door zwarte takken brokkelt,

Eerst zijn het lange snaren, de wind tokkelt

Ze klagelijk, diep in den zomernacht.

Ze dalen zich strekkend op donkre dracht

Van’t woud en breken in goudsplinters fijn,

Die raakten nu in ‘t woud twaalf ridders klein.

 

Ze droegen witte mantels, wit tricot,

Baretten wit gestruisveerd, stapten zoo,

De maan glom in wapens, den heuvel op,

En schaarden in een kring zich op den top.

 

Dat zijn de twaalf nachturen die daar staan,

Ze zien zoo teer naar ‘t kind der ronde maan,

Als ‘t spel van kindren staan z’in kleinen kring.

Om beurten gaat er een en breekt den ring

En laat de andren wakend achter, hij

Treedt snel het woud en wijde wei voorbij

En klimt de trappen op in ouden toren,

En luidt en slaat zijn uur, zijn makkers hooren,

En zien zijn witten mantel boven ‘t woud,

Die glanst er als ivoor in ‘t gul maangoud.

 

Zoo stonden twaalf ridders dien gulden nacht

En hielden trouw om kleine Mei de wacht.

De maan scheen onbeweeg’lijk, in het rond

Stonden zij stil, hun degens in den grond.

 

Naar boven

Boek II
Bron afbeelding: Comfreak / Pixabay

Boek II

 

Nu staat er midden in het land een dom

Van zuilen die ìk stapeld’ en rondom

Buigen zich popels en de treurcypres.

Het groeit vol leliën, er hangt een tres

Van rozen af aan elke schacht, een rij

Van kinderen zit en zingt zij aan zij,

Roodwangig op de treê met open kelen;

Een orgel hing ik aan den wand te spelen

En binnen zette ik een meisjesbeeld.

Ik was de een’ge priester, al die weeld’

Had ik, ìik woonde er, met mij niemand.

Heel eenzaam was om ‘t heiligdom het land.

‘s Nachts waakte ik in de blauwe tempelschauw

Heel vaak, de tempel waadde in zee van dauw,

De maan bevloog den blauwen hemelbrauw,

Dan gudste er tusschen kolommen dauw

Muziek, zijn ‘t vogels, zijn het vlinderen,

Klapwiekend muzikale vleugelen?

Of zijn ‘t fluweele voetjes van mijn Mei,

Die om den tempel treedt dat daar de rij

Doodengezichtjes, bloemige viool

Droomerig knikt en heel de bloemenschool?

Of was ‘t misschien de lucht die klanken gaf

Door wind en bloemgeschommel en den draf

Van Mei die om den tempel liep te spelen.

Maakt niet de lucht ook zoo uit vogelkelen

Geluid, en drijft uit takken van den boom

De wind niet lichte tonen en de zoom

Van ‘t kleed, ruischt ze niet ‘s morgens over ‘t veld —

Muziek komt uit luchtwemeling geweld.

Hoe kon ik ooit verlaten waar mijn ziel

Duizeld’, het licht ver van mijn oogen viel,

Mijn oog en oor werd als de groote hemel

Boven de zee met al haar waterwemel

Van prisma’s kleur en van muziekballons

Opstijgend van de baren, en van dons

Geplukt uit golvevleugels? Waar de nacht

De aarde sloot, den hemel openlacht’

Uit sterren wit spruitend met klaar gekijk,

Maar zwijgend, naar het zwarte rijke rijk

Der aarde, waar de bloemen met een zucht

Geboren werden in de donk’re lucht,

Het nachtegaalgeklaag luid uitjuikte

Boven de bloem, die pas zich uitluikte?

Ik wist niet dat dit alles was zoo mooi.

Zoo staat ook wel een meisje vol in bloei,

De bruigom loopt om haar en streelt het haar,

Zijn spitse ving’ren door haar gouden haar:

En loopt onwetend heen en zoekt in spel

Matheid en slaap. Dan treedt op zijn drempel

Een bloot beeld: onder ‘t witte bedgordijn

Glijden er blikken en een woordetrein

Dat’s om te weenen, want de mijmering

Over een ding, is teerder dan het ding.

Zoo hoor ik ook terwijl ik speel, heel ver

Van over de velden komen als schemer

Van woorden, als ik slaap droomen rondom:

Daarom, mijn jonge zoete zuster, kom.

Kom nu mijn jonge zoete zuster, kom,

Te lang suisde de zeis al rond ons om,

Kom blonde zuster uit ons zonnig koren.

Want hoor, o hoor, daar ver weg is gebore

Zonoogig kroost, het reit al en draagt om

Muziek en wierook, zoete zuster kom.

Zie ik wil nu zoetklinkende schalmei

Hernemen, geef uw hand en sta me bij,

Leer dansen met mij heen uw roode voeten.

Daar staat de tempel. Rijzen en begroeten

Ons als die kind’ren al? Ze lijken bloemen

Zooals ze wieg’lend geuren, hoor, ze noemen

Mijn naam en d’uwe, blijf nu bij ze staan,

Gij zelf een bloem, en laat mij binnen gaan.

Hoe stil is ‘t hier. Een blauwe schemer stijgt

Uit ‘t zuilwoud, zonlicht glijdt, het boomloof nijgt.

Maar nu zal ‘t orgel spelen en er zal

Eerst muziek drijven, dan een waterval

Daveren doe: zoo staat over de bergen

Amerikaansch bosch, de boomstammen tergen

Elkaar om ‘t hoogst, de blauwe lucht beoogt

Verbaasd de golven loof om ‘t jaar verhoogd,

Daar drijft in effen vlak en bed rivier,

En spiegelt rots en boomen, het boschdier

Drinkt van het drijvend nat als die stroomstraat

Begint te glimmen van den dageraad.

Ruischende gaat de stroom door ‘t riet dat fluit;

Dan breekt en knakt hij om en dondert uit

Boven afgronden, en hij duiklaart om

En staat als tamboers roerende de trom.

Zoo zal dit lied liggen, dwars door het land,

Een dorstig volk zal drinken aan zijn kant.

Mijn ziel vliegt uit en waadt in eenzaamheid

Door een blauw wolkenmeer van vroolijkheid,

En slurpt de blauwe lucht als zoeten wijn,

Aetherm gemengd met eeuw’gen zonneschijn.

Mijn lijf dwaalt zielziek om en roept zijn bruid

Die fladdert eenzaam boven wolken uit,

Dan zingt het dronken dwalend dit hooglied,

Gij allen hoort het — maar zìja weet het niet.

Schaduw slaapt langs de bergen, het bazalt

IS droevig, en de bleeke bergbeek schalt;

Nachtwolken varen van den hemel heen,

Daar is het stil, op aarde weent alleen

Die ééne berg, de lucht is zwaar en moe.

Rondom staan andre bergen en zien toe.

Mei zit daar, juist ontwaakt, een paarse vlak

Van wijn op ‘t slappe kleed, een wingerdtak

Naast haar, de lichte blauwe oogen lachen

Als half in slaap. Maar daar spant aan zijn wagen

De zon, als bladerige klimop rijst

Rooskleur.de heemlen langs, starren, verijsd

In ‘t blauw, versmelten. In haar hart komt in

Der menschen mooiste slaaf, herinnering.

Hoe vaak ze nu al luistrend heeft gestaan

Naar ‘t eerste vogellied, wanneer de blaan

Schrikachtig opfladdren voor morgenwind,

Zwaluwgevlieg en ‘t bijgegons begint.

Hoe dan de lucht zoo drok werd, dat zij nauw

Meer ééeen geluid hoorde. Zie nu hoe gauw

Die eerste vogel vliegt, het water druipt

In kleuren van de rots, de druppel sluipt

Langs een gebloemd kruid, met zijn zilverstaart

Slaat een forel de beek die met een vaart

Vervalt, o die is altijd slapeloos.

Hoe trilt haar hand nu en begiet een blos

Haar bleeke wang, de helling van haar borst

Zwelt en spant uit de wa met wijn bemorst?

‘t Was gistren in de avond, toen de sterren

Als lichtkronen omhoog hingen, en verre

De laagste stonden, gearmde kandelaars.

Toen zat ze hier ook en hoe donker paars

Was ‘t woud, hoe stom-stil — toen begon op eens

Een stem te stijgen als fontein die ééns

In ‘t jaar maar springt en dan zijn wachtend water

Lichtvroolijk maakt en ‘t eigen uitgeschater

Geniet; zoo was die stem en zij werd bang

En droef te moe, want het leek toch dat lang

Die stem iets miste — toch was ze als een schat

Van edelsteenen aan den dag, als wat

Arm man alleen bezit en het bewaart

En ‘snachts er heengaat en het graaft uit d’aard’

En weent er op en kust het en begeert

Het fijn te gruizen in zijn vuist; verteert

Van liefdewellust het. Nu was ‘t als klonk

Er ramm’lend geld, mar dan weer of een schonk

Flonkende wijn uit gouden kan, des nachts,

In een groot bronzen koelvat. Onverwachts

Was ‘t uit geweest en had alleen de maan

Geschenen. Maar nog lang had ze gestaan

Met drinkende ooren en de beenen stil/

Tot ze de stilte merkte en een gil

Gaf en heel bang werd. Maar toch was allengs

Vreugde gekeerd, geroepen door den wensch

Het weêr te hooren, — troost de mijmering

Over een ding niet zóó wel als het ding?

Ze had een vaart genomen en was af-

Gesprongen van de rotsen en een staf

Van wingerd had ze zich gebroken; toen,

Van d’avonduren tot den stillen noen

Der nacht, had ‘t hout gekraakt, de beek geplast

Van hare voeten, en het leek als was ‘t

Bacchantische Maenade op de paâeen

Van het zwartdorre rotsgebergt’. De maan

Had haar uit schaduw zien opdagen, dan

Was ze gaan zitten in het licht en van

Afmatting hijgend had ze nagedaan

Die stem, maar weenend had ze in doô blaâeen

Het hoofd gebogen, want ze kon ‘t zoo niet.

Dit denkt ze en terwijl ze denkt, begiet

De zon de aard, der aarde hovenier.

En roode bloempjes met licht kleurvertier

Weerschemerden de stralen, ‘t held’re gras

Golfde als vrouwehaar, het hooge bosch

Begon den wind te wiegen als een wicht

Dat klagend gegaan slapen, d’oogen dicht

Nog, wakker wordt en voortklagt, ritseling

Maakte het weldra blij en bladwuiving.

En roode wolken dreven als zeewier

Heene en weer, bewegelijke schier-

Eilanden van den zon’gen horizon.

De aarde lag te dampen: een gloedbron

Wier ope lippen wellust uitwazen,

Geelige hette. Maar de stroomvazen

Vergoten rijkelijk, Donau en Rijn

Vergieten zoo water en koelen wijn.

En wind blies aan der aarde aangezicht,

De wouden op de bergen opgericht

Trilden, moe stof van porfier en graniet

Vervloog, het gouden schuim van de bergvliet

Vloog mee, maar binnen elk groene dal

Voelden hem noch de bloem noch de beekval.

Zoo werd de hemel vol van windlawaai,

En vogelkelen vol van stemgeaai

Schalden als beken mee, als beesten sprongen

Rivieren uit hun holen en hun longen

En monden gromden. Maar de zonneschijn

Vulde haar oogen, die maakt ooren klein.

Haar oogen werden grooter, en een gloed

Vlamde haar hals en wang, het roode bloed

Ruischte, ze hoorde het ter nauwernoo.

De wind kwam op haar als een liefdeboo

Met zalven en reukwatergeuren, zij

Rook welk den wierook, liet hem toch voorbij.

En om haar hoofd vingen gedachten aan

Te zwermen als een bijzwerm, maar verstaan

Kon ze de een niet door den ander; zóó

Gonsden haar ooren dat het was of flauw

Veel lippen voor haar oor stonden en of

Elk woord haar blozen hoogde zoet en dof.

En ‘t was alsof die zoete woorden in

Haar voeren en in rij maar zonder zin

Rondgingen zooals scheepjes, op haar bloed,

Haar heele lichaam rond, in overvloed

Van hartewarmte. En ze voelde niet

Of ze van buiten kwamen als een vliet

Die uitstroomt in een meer, of of een bron

Ze uit haar zelve opspoot in de zon.

Maar voor haar oogen lichtte alles fel

En tintelde springend zooals een schel

Van zilver die geluid wordt, en het zwol

Met trane’ en nevel hare oogen vol.

En ze viel achterover, van den steen

Vielen de wade en haar haren heen

Lust en verlangen en bevrediging

Speelden en streden in haar onderling.

Zoo lag ze midden op de wereld, ‘t was

Toch of ze in zichzelf een wereld was.

Zoo lag ze lang, en in haar keerde weer

Kalmte, zooals de zomer na onweer;

Een vrouwehart is als een zomerweide

Waar koeien grazend droomend, tusschenbeide

Grazen ze niet en staan met stillen kop.

Zoo waren haar gedachten, ze zag op

Naar ‘t blauwe hemelwaas, haar heele hoofd

Droomerig warm en rood als zomerooft.

Alles was rondom stil, de middagzon

Flonkerde, stilte gonsde, een bij spon

Zijn dunne vleugels, en het wit zonlicht

Droogde zijn stralen op het rotsgezicht.

Zooals de wolken na een winterdag

Treurende gaan, hoewel geen luchtgeklag

Gehoord wordt waar het ov’ral stil is — dan,

Terwijl er sneeuw valt hier en ginder, kan

Ik soms een enk’le wolk blosrood zien worden.

Lachende reist die in tusschen de horden

Huilende wolken — zoo waren de riffen

Van zonverlichte bergen die in effen

Glooiingen hoog liepen, blauwend en grijs.

Daarop verscheen midden in het sneeuwijs

Van blakend stof en rots, blank-rood lichaam

Van een jong God, zijn voeten liepen saâm

Vooruit om beurten, om zijn hoog hoofd woei

Het bossig haar met zonvonkengesproei.

Er lag om nek en hals een keten waard

Van goud, zijn neus blies adem als een paard.

Hij leek een zon maar rood en lief’lijker

Dan de zon zeld, met rood licht als de ster

Van Mars in den midwinternacht, toch gaf

Hij door zijn eigen licht geen schaduw af.

Hij liep neurieënde, de lucht werd gek

Wanneer hij ademde en met een trek

Zijn longen vulde dat zijn borst opzwol.

Dan blies hij uit en maakte zelfs stof dol

Van tinteling, de heele hemel hing

Te wachten — tot hij gaande aan te zingen ving:

 

Waar de wind is en eeuwig geruisch

Van het water om Wodans huis,

En de duisternis

Verglinstert het sterrengruis.

Waar laat in den nachtorkaan,

Wasblank in de wassende maan,

De godessenschaar

Om het brandaltaar

Reidanst bij den Oceaan.

Waar onweerende wind zoo waait

Dat het boombosch valt gemaaid,

Waar de donderkoe loeit,

Maar omhoog weer groeit

Het pijnwoud door Wodan gezaaid.

Waar Aurora haar kindeke windt

Straalkrans die den nacht verblindt,

En met tinkeling

En met rinkeling

Het lichtend te loopen begint.

Daar woond’ ik eens, wee mij, o mij,

Toen droomde de jonge Idoena bij mij

Met de voetjes bloot

In het rozerood

Van de dunne donzige wolkensprei.

Wie bracht aan Wodan en Freya de schaal,

In goud toon roo wijn, aan het godenmaal

Naar de Wodansrots,

Waar in koningstrots

Zij voorzaten in de zaal?

Wie haalde de manemerrie van stal,

En stapte met haar door de hemelhal,

Dat dat zwanepaaar

In die vogelschaar

Klapwiekend meevlogen overal?

Wie joeg de sombere ruiters voort,

Gedromde wolken, op zonnemoord,

Met hun hagelslag

Als met sabelslag,

Gereden uit het Noord?

Wie bouwd’ in d’avond het Westersch paleis

Van kolenvuur glorend door wolkenijs,

Van wat wolkenpuim

En wat parels schuim,

Waar de goden in vlogen na dagereis?

Wie maalde de zon dat het gouden geluk,

Het zonnemeel viel, wie gaf den ruk

Aan het zonnerad

Dat de zee opspatt’,

En maalde de morgengolven stuk?

Dat deed Balder, ik,

En geen oogenblik

Zat ik met kommer

In wee en lommer,

Of weende ik.

Terwijl hij ging en zong, zat Mei zeer stil.

Toen bleef hij staan naar haar gekeerd, geril

Liep over hare armen en ze greep

Den gronde weerzijds; haar kleed hing in een sleep

Te trillen op haar voeten en het haar

Hing om haar voorhoofd waar de blauwe aar

Golfde; de oogen vulden haar gezicht

Dat bleek werd, mar licht was van zonnelicht.

En ze werd blind met open oogen, toen

Hij daar zoo roerloos stond en weer begon;

Zijn stem spon als een zilvren web der spin:

Zij zag het tintlen, hij versmolt er in:

 

Ontwaakt zoo als ik eens ontwaakte,

Zoo ben ik nu, het was aan ‘t strand

Der wijdvergulde zee waar ‘s avonds blaakte

De hooge zonnetoorts van ‘t godenland.

Had ik niet zien zwieren,

Als loof van populieren,

Godinnehaar en hande’ aan de overkant?

En glommen niet de sterren,

O ‘t kwam wel ver, zoo verre,

Idoena droeg ze als een hareband?

Zoo was ik ingeslapen,

Rondom weidden mijn schapen,

Ik hoorde hun tanden rukken aan het riet,

Dat groeit in vochte wolken

Op stroom van hemelkolken,

de windbruid zong daarin haar slapelied.

O wee toen ik ontwaakte,

Terwijl Aurora slaakte

De wiegewindsels van het zonnekind,

Toen waren dicht omwonden

Mijn oogen en opbronde

Er uit die blinde wellen schaarsch lichttint.

Toen ben ik uitgevaren

Op ritselende baren,

Van wat ik wist dat was hemellichtzee,

Daar heb ik drijven luistren

Naar ‘t scheemrig zeeëfluistren,

Mijn tranen stroomden met de silte mee.

En heb ik rondgezworven,

Waar eenzaam ligt bestorven

In ‘t helle maanlicht grauwe zandwoestijn,

En vingen mijne wangen,

Hoe groot was mijn verlangen,

Het eerste roode van den maneschijn —

En ben ik opgestegen

Naar bronnen van den regen,

De wolkendauw druopte op mijn oogen af,

En zoog ik wolkenhoning

In Iris’ roode woning,

Niets vond ik dat mijn blindheid drinken gaf.

Schemering,

Mijmering,

Wie noemt den naam van wat mij ving?

Tinteling,

Rinkeling,

Hoorde ik toen de poort openging.

Engelewacht

Vroegen mij zacht

Naar mijn naam dien ik òverdacht.

Schemering,

Rinkeling,

Deden verdampen herinnering.

Henen is

heugenis

Van lust en droefheid die ik immer droeg

Over is

Lafenis,

Drank van muziek altijd en nooit genoeg.

Het is zacht aanwuiven

Van blauwgeveerde duiven,

Langs zonnestralen komend uit de lucht —

Het is het dicht toedeinen

Van blauwe baldakijnen,

Gezwollen van een vuurge’ zuiderzucht.

Het is teer opgroeien,

Het is het nacht’lijk bloeien

Van een aanminnige maar geheime bloem —

Het is het aad’mend vullen

Van geuren die verhullen

Een groote wereld met een wonderdroom.

Het is het hoog ophemelen

Van nevels waarin wemelen

Mannen en vrouwe’ in het zonlicht transparant —

Het is het klaar uitkijken

Naar vormen die niet wijken,

Als bergen hard graniet en diamant.

Het zijn de helle nachten

Met maan en ster als wachten,

Een holle lucht gevuld met maneglans —

Als blazende victorie,

Zoo staat de zon in glorie

Daar bij elk dageraden op den trans.

Het is het wiegelen van korenaren,

Het is het klanken van gitaresnaren,

Het is weefsel en spinsel van muziek —

Het is het trillen van muziekgordijnen,

Het is het aanrollen van tonentreinen,

Het zijn muziekwolken voor windewiek.

Er schuift een achtergrond vol wonderen,

Het is barsten en luid uitdonderen,

Breken en knallen van de zwarte zomernachten,

Het is een avondzee vol golveklokken

ONder de wolken luidende, getrokken

Door de zwemmende donkere zeeëmachten.

O ‘t zijn de karavanen

Muziek, oaselanen

Opspelend uitkomend in zandwoestijn,

Het is het heneglijen

an mijn muziekgaleien

Op zee met gouden koper in den zonneschijn.

Kom dan, wie ook

Bloemen en wierook

Brengt aan mijne, bleeke, stille, eenzaamheid —

Nu wilk ik sling’ren

Zilveren ringen

Van liedekijnen uit mijn eenzaamheid.

Er is niet één,

Neen neen, niet één

Die zooals ik haar woestenijen kent —

Zij is mijn kluis,

Mijn vaderhuis,

Mijn stad, mijn hemeltent.

Haar knieëeen had ze hoog getrokken, daar

Steunden haar armen op, het blonde haar

Omhulde ze, haar handen dekten toe

Haar wange’ en oogen die ook zelf dicht toe

Gesloten waren; ‘t leek ze was alleen

Heel hoog op in den hemel en diep heen

Was heel de wereld weggezonken en

Al de herinn’ring van een Meileven.

Hoe dicht was alles en hoe tintelde

Het licht; was ‘t stil, was ‘t niet? ze wist het niet,

Haar hart en polsen sloegen nog het lied

En alle luchtvonken zongen ‘t rondom.

Toen zag ze in haar hande’ een beeldedrom

Heenflikkeren, alsof in slaapgewaden

Witte gedaanten door lichtvloeden waadden.

Sommige droegen instrumenten, snareeen

Fonkelden tusschen rozevingers, bare

Bazuinen wijdgemond in mannenmond.

Dat was haar vroolijkheid en ze verslond

Haar tranen al, toen haastig voor den winfd

Van haar gedachten, in zijn rozetint

De zanger zelf verscheen en in zijn licht

Allen vervloden van haar aangezicht.

Eerst zong hij en zijn mond leek wel het hol

VAn den winternachthemel, als die vol

Van kostbre starren staat, zijn zangen waren

Als losgelaten starreregen, scharen

Van blanke klanken sprankelde hij uit.

Maar ‘t werd stiller en ‘t geluid

Hield op. Toen stond hij rechtop stil voor haar,

Den mond en d’oogen dicht, zonder gebaar.

En haar gedachten bleven eerst als schuwe

Vogelen om hem heen, die in de luwe

Verlichting van zijn lijf niet durfden vliegen.

Maar dapperder begonnen ze te wiegen

Al nader, en haar oogen gingen aan

En af over zijn borst die in een baan

Afliep. Als een kerkbeeld van goud, zoo puur

Vlamde hij in het duister, dat een muur

geleek van zwart gesteente. Zij vergat

Of het wel duister was, zoo bloeide dat

Standbeeld van vlammen, en toch leek het wel

Meer bloeme- dan wreed vuur, alsof zijn vel

Als dichtgeschulpte rozebladen dekte

Een roode vonk, waarvan het schijnsel lekte

De binnenkant der blaren. En ze strekte

De handepalmen voor zich uit, als meeren

Blonken haar oogen en een zacht begeeren

Vulde haar lippen en met teer gestreel

Scheen ze hem aan te raken. — Het gespeel

Had uit: hij was er niet. Hoog in het geel

Brandde de zon, ze deed de oogen dicht

En vuld’ haar handen met haar zacht gezicht.

De zon zonk en de dalen werden donker,

De groote avond waarde om, geflonker

Begon in hemelsteden en de kruinen

Der laat verlichte bergen namen schuine

Zonstralen aan. Zoo zijn ‘s avonds de straten

Der steden halfdonker in onze straten

Van Holland, maar aan d’Oosterkant

Roomgeel en muurrood en de rame’ in brand.

‘t Werd nacht. Terwijl de zware aarde zweeg

Mijm’rend, het kind gebogen hoog zat, steeg

Een mollige donzige nevel dommelend

Bleek op als anemonen, schommelend

Staan die ook in diep zeewater. En zij

Werd nat en dampg koud toen die kleedij

Haar overhuifde, en een vochte kap

Van vlokken nevvel ‘t hoofd verdronk, de lap

Van haar geweven kleed hing langs den steen.

De neveldruppen lagen daar, geween

Der lucht, blankzwart als Kaapsche diamant.

Zij beefd’ en weende niet, maar zat aan ‘t strand

Van eigen leed en zag de golven klimmen.

haar moeder wist het en zat op de kimmen,

Wachtende bij haar wachtvuur, pas ontwaakt,

Voor haar donkerblauw bed en moedernaakt.

Zij stond en zag haar kind, en uit haar oogen

Gingen smeltende stralen en bewogen

Dampen, ze schudd’ het blonde geele haar.

De lucht werd nevelig: een witte baar

Van licht verdronk de sterren en uit groen

Van dampen blonk het maankindeke toen.

Zij plaatste hare voeten weinig maal

Zonder geplas diep in den dap. Een schaal

Van zilver schepte ze vol vuur, dat scheen

Haar in ‘t gelaat, het lichaam was beneêeen

Donker. Zoo kwam ze naar haar kind, heel hoog

Gloeide haar helle aanschijn voor den boog

Des breeden hemels. Als een tijgerin,

Zoo kwam ze daar, die naar een welp zoekt in

Een klippige woestijn. En toen ze vond

Haar zitten, knie en arm gevouwen, stond

Ze naast haar, kolossaal. Maar geen van twee

Zeide nog iets, noch boven noch benee.

Ze dachten aan hetzelfde, als een moeder

Die ‘t kinderleven leeft en die te goeder

Ure een hulp haar kind’ren is. Zij beide

Dachten dat vreugd nu op was en dat lijden

Nu klaar gemaakt werd. Maar het jonge kind

Genoot toch hiervan ook, jeugd overwint

Legers van pijn en neemt de sterke stad

Der toekomst hopend in. Verwonderd mat

Ze nog de diepte van haar eenzaamheid,

Vond in verwond’ring troost, hoe eind’loos breidd’

Eenzaamheid zich, nu hij niet meer den dag

Vulde…, waar zou hij zijn?…en weder zag

Z’hem voor zich rijzen als van goud zoo zuiver.

Anders haar moeder. Want een zacht gehuiver

Woei over hare leden. Als een plas

Die in de donkre venen rimpelt, was

Haar huid somber en trilde en haar hoofd

Schokte haar lokkenvracht. Leeuwin beroofd

Van haar liefste jong, maakt wanhoop eerst roerloos,

Dan brulde ze ‘t uit. Zoo stond ze ook een poss

Voor zich te zien, toen kreunde z’. Een onweêr

Dat ver gehoord werd. Als een zwaneveer

Voor een windstoot, zoo stoof Mei op en voor

Zich zag ze donk’re voeten, den romp door

De lucht heendonkeren en hemelhoog

‘t Felle gezicht, dat nu voorover boog.

Het kwam omlaag en in de schittering

Der moeder blonk het kind. Het licht beving

Haar borst en armen die ze open had.

En moeder zette bukkend het vuurbad

Op een berghelling en het rozeblad,

Haar kind, nam ze toen tot zich, ééeen arm om

Haar ronde knieëeen, ééeen om de kolom,

Den fijnen halszuil, en ze zette zich.

Vurig lichtte de luchter, weelderig

Drukte het kind de lippen in haar borst.

Het leek een zuigeling die niets dan dorst

Heeft en met dichte ooge’ uit moeder drinkt.

Zij deed ze ope’ em vroeg: ”Moeder, wat blinkt

Daar zoo en doet den nevelschemer zijn

Als rook van brand? O blusch nu al dien schijn

Van licht en laat me u in ‘t duister kussen.”

Haar moeder blies het vuur uit en van tusschen

De bergen golfde weêr de nevel aan.

Het lekenruiters die op ‘t slagveld staan

Te wachten op ‘t commando. Als het komt

Rijden ze voort, hoefslaande, rug gekromd.

En toen ze lang gezwegen hadden in

Geheime kamer van de neveling —

De maan waakte daarin, een regentes

Van Scandinavisch rijk gelijk, prinses

Mei deed haar oogen slapen vol en rijk

Aan zinnebeelden maar te glans en prijk

Stonden de moederoogen — toen ving aan

De Maan zooals een maanstroom door woudlaan:

”Kindje, wat denkt ge, wat brandt in uw oogen?”

Zij wenteld’ in haar armen en dronk togen

Oogenlicht in en school nog dichter aan,

En sprak: ”Ik zie uw hoofd voor starren staan

Moeder en in uw hoofd twee oogen, maar

Sluierende nevel zweeft om, ‘k weet niet waar

Ze eigenlijk staan, o het is als een kolk

Vol lauw badwater, zoo als melk die ‘k molk

Op vroege morgens, smaakt het in mijn mond.

Toch dost mij, moeder, en de morgenstond,

Geloof ik, is nog ver, van klare stilte,

Baar licht en zuivre zon als zeezilte.

Moeder, doe mind’ ik zoo, zou nu voor goed

Mijn hoofd zoo warm en dof zijn en mijn bloed

Zoo dronken omgonzen. O ik ben vol

Van bloed donker als wijnmoer, waar verschool

Zich toch mijn oude zelf, de blanke Mei?

Ik ruik zoo zware geuren en voorbij

Mijn oogen valt een zwaar zwartrood gordijn.

O moeder help mij toch, wat kan dit zijn?”

Zij antwoordd’ en het was zooals de wind,

Die ‘t waaien aanvangt na zonmiddag: ”vind

Ik u zoo weer, mijn blonde dochter, hoe

Gulden en blond waart ge, nu zijt ge moe

En al te warm en rood. Maar wacht, ik zal

U weer versneeuwen en uw lijf een hal

Maken van jeugd en kracht en kalme koelte.”

En bukkend gaf zij haar de borst. ‘t Gestoelte

Der rots droeg stom dat zware godenpaar,

De Maan en Mei wier overvloedig haar

De moederbuik bewolkte. In den nevel

Zoog zij haast sluimerend; als door een hevel

Uit een vat in een ander, stroomde melk

Uit moeders tepel in de mondekelk.

Zoo vond ze kalmte in verzadiging.

Lang bleef ze liggen wijl de nevel hing

Over den afgrond, en slechts nu en dan

De moeder een zucht uitblies, als een man

Met peinzen bezig. Eindlijk sprak ze zoo:

”Moeder, ik heb u lief, ik wilde o

Zoo gaarne u nu volgen en altijd

Bij u zijn. — Maar er is nu iets dat scheidt

Ons, u en mij. Ik zou niet altijd naar uw

Roep willen luistren en wanneer de schaduw

Uw rijk belommerde, zou ik daar niet

Meer blijven kunnen. Waar het ver verschiet

Des hemels rood zag, zou ik de eenzaamheid

En licht gaan zoeken. Moeder, hoe verblijd

Maakt het me dat ik weet wat zijn genot

Is, zal ik hem nu daar niet zoeken tot

Ik voor zijn huis sta? op den drempel zal

Ik zijn voetafdruk kussen en den schal

Van zijn stem zal ik ook misschien wel hooren.

Moeder, zijn liedren zijn als zuilen, schoren

Ze niet marmerpaleizen, blindend wit?

Daarin zijn rood verlichte kamers, zit

Hij daar niet aan het eind’ en wacht en wacht?

Zie, ik sta op den drempel, zie, hij lacht

En wenkt me, ja wel wordt hij nu mijn koning.

Hier ben ik, hier ben ik, zal dit mijn woning

Nu voor goed zijn? o, ‘k zal haar maken mooi.

Zij is al mooi, zie ze hangt vol van tooi,

Zomers gebloemte hangt, winters kristal,

Met ijs behangen en met rood koraal

De wanden, o ik zelf begraaf me in rozen.”

Zij hield verschrikt in en bij tusschenpoozen

Lachte ze nog wat na, haar moeder niet.

Die sprak en ‘t was als wind door rusch en riet:

”De watervallen en de zilvren stroomen

Verlaten ook de bergen, en de boomen

Verliezen ieder jaar hun lieve loof.

Mijn kindren waren eens me als een schoof

Van aren, nu zijn er al zooveel heen.

Waar zijn ze? ik weet het niet, hun gladde le≖een

Dansen al lang niet meer op mijne aarde.

Die heeft u ook zoo gaarne en bewaarde

U schatten, veelkleurig, duizenderlei.

Gij wilt ze niet? nu, ga dan ver van mij.”

Zoo als een schip in zee, zoo stak ze af,

En als een luchtbal daalde ze, ze gaf

Geen schijnsel meer, liep over d’aard in schauw.

Tot dat ze bij een meer kwam dat heel flauw

Lag op te golven in de duisternis.

Daar stond ze en weende uitkijkend, een nis

Zoo leek dezwarte lucht boven het water.

Een populier stond naast haar, klein, een hater

Van stilte, die nu ook zacht ratelde.

Haar tranen ruischten, blade zwatelden.

En ze leek dood. Toen trad Mei zachtkens na

Op meisjesvoeten, ‘t was als zoete vla

Zoo vleiend wat ze zei: ”O wees niet boos

Moeder, ik bid u, want al wat ik koos

Uit wat gij geven wilt, het zou mij zoo,

Zoo ongelukkig maken sinds een boo

Van zoo veel pracht en teêrheid tot mij sprak.

Gij weet en hoorde ‘t niet, ik zou als slak

Op ééeen boom kruipen, nu ‘k op vleugelen

Een wereld daags kan zien en in en ren

Den top bereik der gouden pyramide,

Der groote wereld, waar de dampen zieden

Van ‘t heetste kokende geluk, waar ik

Hem weerzien zal, al was ‘t een oogenblik.

Ook gij zocht blauwe grotten met uw licht,

Bracht één er heen en hield uw straal gericht

Zóó dat hij sluimren kon, door ‘t bladerscherm

Zaagt gij toch schemeren zijn hals en arm.

Moeder, denk aan uw jeugd, toen voor de zon

Ge u zelve schuil hield en Endymion.”

Zij bukte en hief haar kind langzaam omhoog

En zag haar aan, haar kussend, en bewoog

Langen tijd niets, toen zette ze haar neer,

En Mei liep heen, een kind, dicht aan het meer

Stond nog de Moeder en bleef staan, een boom.

Nevel en wind vloot om haar en de zoom

Van ‘t donker land ontving soms overstroom

Van troebel water, als een man een droom.

Niemand zag mollige Mei nu meer dien nacht,

Luimige sater niet noch het geslacht

Der Faunen die op de heuv’len spelen gaan.

Ook niet de elven die in hun lange gewaan

Achter elkander als een karavaan

Wandelen door de msit om te beraan

In groote vergadering, wat er is te doen

Den volgenden morgen tot den heeten noen,

Als elvekindren alle te slapen gaan

In de lelieëbladen op de waterbaan.

De blinkende sterren keken wel nieuwsgierig,

En heuchelijk door ‘t bosch, maar dat was al.

Niemand wist waar ze was, geen berg, geen dal.

Maar toen de zon ontbloeide, d’uchtendwinden

De bladerwouden zaligden — een hinde

Gelijkend draafde ze uit een koel woud.

naakt, met schuimdroppen van een val; badkoud

Daverde achter haar een cataract.

Daar hield ze stand, waar ‘t boombosch in de vlakt’

Als stadsmuur opstaat rond de rotsen om.

Daar stond ze en ze stond er als een bloem,

Als bloemegeuren waren hare woorden:

”Vader, uw rijzenis vervult de boorden

Des hemels met uw licht, gij laat wel schijnen

De donkere nachtwolken als rijke mijnen,

Gouden en zilveren, o vader, reine

Welwellust, bronwel, uit wien de fonteinen

Van alle licht vervlieten, geef ook mij.

Ik berg het in mijn oog, dat fonkelt blij

Om uw verborgen licht, mijn blonde haar

Groeit er van op zooals het koren waar

Het gouden zaad viel en de zomerregen.

Geef, geef het mij, nu ik de nieuwe wegen

Berreizen ga — ook Moeder gaf mij melk.”

Hij hoorde het, licht stroomde, en door elk’

Opening drong het in haar blanke lijf.

Het licht was zuiver goud, maar als een zeef

Haar blanke huid, het was nog zuiverder

In haar, het sloeg naar buite’ als lichtschitter:

Een rozeknop zamelt zóó licht, de roos

Brandt er tot aan haar dood van — toen een poos

Het licht gebrand had en geheel verteerd

Wat zwaar was in haar, voelde ze als geveert,

Gepluim van vogels om zich, en aan een kind

Van morgenkoelte en van nachtewind,

Dat op een hoogen boomtak boven sliep,

Vroeg ze zoet klagend, ‘t was als vroeg gepiep

Van vogeltje ntwaakt, nog niet bij stem:

”Roep nu uw vader, wilt ge, weet ge hem?”

Die richtt’ het hoofdje hooger op en floot,

Een fijn geluid, en uit het rood,

Het Oost, kwam Morgenwind op grooten vleugel,

Een windpaard draafde naast hem aan een teugel.

Ze zei: ”ik wilde waar de wolken zeilen

Willoos voor wilde wind, daar wilde ik wijlen.”

Ze zei dit lachende, — hij zag haar aan

Hijgende met z’n paard terwijl de blaan

Schitterden en de paardemanen rilden.

Hij zei: ”Ik was waar bloemevaten spilden

Hun geur, de zon zijn licht, o gij zijt meer

Dan bloeme’ en zon, ‘k verlaat u nimmer meer.

Mag ik u wiegelen en suizelen

Rondom uw oor waar wolken duizelen?

Ik voer u voort, vrees niet, ik doe geen kwaad.”

Hij lacht’, hun oogen glommen, als geblaat

Van een jong schaapje zei ze haren dank:

”Ik dank u wel, maar laat mij mijnen gang

Alleen gaan, blijft gij hier, laat uw adem

Mij streelen, dat moogt ge.” Zij stild’ haar stem.

Hij knikte wat droevig. Maar toen hij zag

Haar lachen, spiegelde hij weer haar lach.

Toen ging hij heen en uit een open plats,

Een plein in ‘t woud, woei uit zijn vol geblaas;

De teere lucht woei vloeiend met een vaart

Omhoog, hinnekend draafde de windhengst rond op aard.

Als op een sofa, maar die was er niet,

Zoo dreef ze eerst voor door het laag gebied

Der vlinderren — er zat nog een kapel

Hoog in een boom bij bloemwoning, ”vaarwel’,

Vaarwel” lispelden Meilippen heel zacht.

Toen trad naar binnen hare oogenwacht,

Blanke soldaatjes die diep in haar hoofd

Hun wachthuis hadden, en ze keek verdoofd.

Een oogenblik. Toen werde het koeler en

Ze zag de wolken bij zich: ”ik herken,”

Zoo sprak ze teeder, ”mooie paarden u.”

Het was een heele kudde, maar niet schuw

Steigerden ze of schudden hunne koppen.

Langzaam dreven ze voort, zij met hen, open

Hemelen door, gelijkend op de rook

Die niet de schouw ingaat, maar waar ontlook

De houtvlam, daar ook wijlt en hangen blijft,

Minnend de menschekamer. ”O verdrijft

Mij ook nog niet,” murmelde Mei nauw hoorbaar.

De wind hoordde het en de luchtverstoorder

Staakte zijn adem, alles stond. Toen scheen

De zon met heeter stralen en trok heen

De wolken al hooger en hooger, zoo

Trekken visschers het net en visschezoo

Naar boven, langzaam gaat het door veel visch.

Sommige wolken zag ze als een vlies

Van zeepsopbellen, daar dreven doorheen

Strepen en cirkels kleur, dieper beneen

Zag ze soms zware zwarte als een golf

Voor storm, heel hoog en ver weg hing een kolf

Vol witte stoom, die draaide om zich om.

De zon scheen vuriger; als uit een kom

Die zomers in de hei staat na plasregen —

Somber schouwen de heuvelen, de wegen

Loopend er in staan onder — daar slaat iot

De lucht het licht en maakt de plas zijn buit,

Rimpelend wit, en drinkt het water op —

Zoo vrat de zon de heele wolkentroep;

Alleen wat ruige damp bleef over, die

Dwarrelde ver weg in ‘t verschie.

En hooger dreef ze als de roode vogel,

De Nijlflamingo dien de gouden kogel,

De zon, ook aantrekt, zijn gekromde nek,

Ligt in karmijnen vleugels en gelek

Van goud glijdt langs zijn blank’ en roode veeren.

Zoo was haar drijven en haat zachte scheren

Langs strandeloos liquide oppervlak.

En altijd stijgende. Het blauwe dak

Leek zwellende omhoog te gaan, de aard

Lag heel laag omlaag en leek een heete haard

Vol bonte vlammen groen en nevelwit.

Hoe blauw was ‘t om haar, boven haar, haar rit

Zoo zonder schommelen en eindeloos.

Zij waaierde haar vingers soms, de roos

Bibbert zoo soms haar blaan in stillen tuin.

De dag was nachtstil en de zonnekruin

maakte zijn haren als een gouden tent.

Soms rees ze op en stond dan overend

Lachend tegen de stilte als een klok.

Dan lag ze zich weer neer en droomrig trok

Ze hare knieën als een kind op, sliep

Dan in tot dat een droom haar wakker riep.

Ten laatste lag ze ruggelings, niet meer

Bewoog ze, dacht toen in die atmosfeer,

Dacht verluid: ”Nu wild’ ik dat hij kwam

Daar boven en mij heel ver met zich nam.

Zoo heb ik ook wel eens een enkel lam

Zien achterblijven van het schapenheer

Des avonds in het duin, dan keer op keer

Terwijl het graasde, keek het blatend op,

Heimweeënd, mar dan boog het weer den kop.

Zoo wil ik ook tevreden wachten, nader

Kom ik hem toch. Ik dank u.” En haar vader

Knikte ze toe zoo als een avondbloem

Die ‘t windeke goênacht knikt. En de roem

Des hemels, ‘t zonlicht, schudde vroolijk ‘t haar.

Ze lag denkend en sprekend op de baar

Der lucht nog lang: een vrouw denkt vaak haar wensch

En spreekt hem uit, heenlevend langs de grens

Van werkelijkheid en ‘t scheemerig gebied

Waar Hoop zingt nachts en daags haar tooverlied.

Slapende droomende dreef ze weer: een boot

Eenzaam in zee, die uit den gladden schoot

Van één golf overklint in anderen —

Vroolijk dansen die naast elkanderen.

Zoo lek de lucht ook in haar zaligheid

Van gladde stilte, waar d’oneindigheid

Des ethers nog wel niet begon, maar in

Uiterste fijnheid aandreef wolkekring.

Die zag ze ‘s avonds. alles lag diep blauw.

De zon was onder, ‘t leek een stedebouw

Van vroolijke Mooren in een Spaansche streek.

Koepels zwollen omhoog met lichte streek

Als van penseelen en een minaret

Stond asls een slank meisje. In stille pret

Bogen zich de arcaden voort en voort,

In eindelooze gangen: ongestoord

Hing daar een schemer in verzadiging

Van licht en luchtige bevrediging.

Daar dreef ze heen en door de witte gangen

Dobberde ze, zacht ademend verlangen

Ging van haar uit en vulde het poreus

Wolkmarmer met warmte, wijl zonder keus

Ze voortzeilde. Nu steeg ze langs zaalmuren

Naar ‘t bevende doorzichtige dak, dan turen

Bleef ze naar buiten voor openstaand raam.

Blank was de wereld waar allen te saam

De scharen vaarden van de hemelingen,

De starrenrij, zoo als ze eens ontvingen

Hun plaats en orde van een grooten God.

Dan daalde ze weer en schommelde tot

haar voeten raakten wonderlijkst mozaiek,

daar vleide ze haar rode lijf: muziek

Leek ze te hooren en die blies haar voort

En weer terug en op — in zomeroord

Speelt zoo de wind met roosblad afgewaaid.

Toen lokte haar een open zaal, daar laaid’

Langs gladde wand een klaar hemelsblauw vuur,

De vloer weerkaatst’ ‘t, als in morgenuur

Het meervlak den ontwaakten ochtendhemel.

Daarbij zat luchtig op een broozen schemel —

Alles leek damp en schemer — lichte maagd,

Gemaakt van blozen en lachen, als het daagt

Waar zoo wel eens een wolk voorbij de zon.

Vóór haar een spinnewiel, waarvan ze spon

Honderde draden die als stralen waren

Van water, zooals wat in zilveraren

Springt van de zwarte rots in waterval.

Dat sroomde heen en spartelde uit de hal

De gangen in als honderdmond’ge beek.

En Mei trad in, bleef in de deur, toen keek

De spinster vragend lachend op, haar aan:

Mei vroeg: ”wat spintge en wat zijn die draan?”

Murmelend gaf het meisje haar de woorden:

”Ik ben de wolkespinster uit het Noorden,

Ik spin de fijnste wolken die het hoogst

Drijven en draven, bloesems uit den oogst

Die ‘t zonlicht over dag maait van de zee.

Het fijnste komt ‘t hoogste, dat verzamel

Ik in een kluwen, zie hoe den belhamel

Een kudde al gevolgd is uit mijn zaal.

Gij ziet ze ov’ral weiden zonder tal.”

En mèhet woie zich een nevelvenster open

En beiden keken en ze zagen loopen

En klimmen schapewolkjes, wit gevacht,

Zooals in zee de golven schuimgevacht.

sommigen doolden af, leken alleen

Te loopen droomen, kijkend voor zich heen.

De meesten gingen samen in ééeen pAs,

Alsof ‘t een leger van soldaten was.

En zij sprak van het brandend blauwe vuur:

”Wilt ge hier wachten tot het morgenuur?

Kom dan, en zit hier bij mij en vertel

Op uwe beurt, ik spin, maar hoor toch wel.”

En Mei kwam nader, legde zich languit

Bij ‘t voetje van de spinster en ‘t geluid

Begon toen heen te stroomen met ‘t geruisch

Der neveldraden door die deuresluis:

”Ik heb een zoeten naam, mijn naam is Mei,

Ge kent me wel, denk ik, want niemand bij

Alle de elven en de veldegoden

En waternimfen en de witt’ en roode

Winden en al de luchtverhevelingen

Was er of kende Mei wel, alle dingen

Boden ze mij wel aan voor éénen kus.

Maar ‘t kussen gaf mij hartepijn en dus

Vluchtte ik vaak, maar niemand was dan boos.

Ik dee en elk dee wat ik verkoos.

Nu heb ik maar één een wensch en die zal ook

Wel weldra, denk ik, vrucht dragen, ontlook

Maar ooit wenschbloesem in mij, dadelijk

Hing ook de rijpe vrucht daar rijkelijk.”

Toen zweeg ze een pooze stil, begon toen weer:

”Er is iemand, ik weet niet waar, ‘k begeer

Heftig te weten waar hij is, gij weet

Het wellicht wel.” De ander zei: ”hoe heet

Hij, is het iemand van de lage aarde?

daar kom ik nooit. Maar is het dat hij waarde

Hier rond, vroeger of later zag ik hem.”

Mei sprak: ”Den morgen en de vogelstem

Ge kent die niet, boven de blanke weide?

‘s Avonds in ‘t eenzaam boschje langs de heide

Den nachtegaal en dan den ganschen dag

Het ratelen der bladen en den lach

Van alle glanzende aardsche wateren?

Ge kent die niet, hoor dan zijn naam en ken

Lente en lachen, mij en mijn Mei-jeugd.

Balder, zoo heet hij, Balder.” En van vreugd

Schreide ze uit, terwijl zijn naamgeschal

Klaarde den nevel van de hemelhal.

Toen d’andre dit gehoord had, schreide ze.

En toen ze uitgeschreid had, antwoordde

Zij zoo, terwijl hun beider oogen glommen

Van tranen, om hen blauwe vlammen klommen:

”Balder, zijn naam is balsem en als dauw.

De open ooren van een jonge vrouw

Drinken hem in en vullen ‘t diep lichaam

Met weeld’ en ‘t klanken van zijn rijken naam.

OMdat ze dan het hoofd boordevol heeft

Van dat geluid en in haar oogen beeft,

Achter haar oogen, zijn wild flikk’rend beeld,

Zoekt ze hem ook, ik weet het en verbeeldt

Zich ‘t vinden al vooruit, o ‘k weet het wel.”

En toen schreide ze weer, zooals een wel

Die overloopt en den grond drassig maakt.

‘t Getouw stond stil en ‘t laatste weefsel raakt’

Al uit de deur. Zoo zaten ze heel lang,

Beide droomend, zoo als één gezang

Aan de eene hoop, herinnering aan de aêr

Geeft bij het hooren, wonder-wonderbaar.

Nevel werd rozerood, het blauw verbleekte,

De zon verscheen en gouden stralen weekten

De witte dampen: beide stonden op.

Twee lammeren gelijkend, op een heuveltop

Opstaande na den slaap en traag ontwaken.

Mei aan de hand der ander, door het blaken

Van ‘t rijke licht langs een smal wandelpad,

Een wolkenzoom, een kustestrand als wat

Langs Holland en de zee ligt, zandig wit.

Totdat ze samen stilstonden en met

De oogen beide naar één zij gekeerd,

De eene sprak ”ziet ge waar het geveert

Van deze wolk in eindelooze zee

Uitsteekt als havenhoofd? Dat is de ree

Van waar ge gaan moet. ‘k Laat u nu alleen.”

Toen keerden ze zich tot elkander heen

En kuste de een de ander op den mond.

Toen wendden ze zich van elkander rond,

Wandelden uit elkaar, de eene kon

Haar voeten haast niet houden, d’ander spon.

Daar lag de luchtzee stil te wemelen,

Een zee van atmosfeer, de hemelen

Van ether bleek daarboven, daar stond zij,

Flikkerend ruischte een zeemelodij.

En zittend bleef ze daar een heelen dag

En nacht, terwijl dat ééne beeld gezag

Voerde in haar met vochte’ en warmen adem.

Ze was zoo vol van hem zoo als met wadem

Van nevel is een bosch op herrefstdag.

Anders beweegt er niet in en de dag

Kent niet dan mistbeweging, mistgeluid.

Soms weende ze eens even en vlood uit

Haar mond een murmeling, men kan een hoen

Zoo in de struikenschaduw hooren doen.

Ze had niet één gedachte en geen woord

Kan daarom zeggen wat ze dacht, gehoord

Kan niet het teerste worden van een ziel.

Zooals de aarde als er regen viel,

Zomerregen, druppelend met geruisch,

Uren aan uren dat een warm gebruisch

Het heele woud vult onder hooge kroonen

Van zwaar gestamde boomen en de schoone

Bloemen in ‘t gras vol worden van dien dauw —

Zoo was het innigste dier jonge vrouw

Eindeloos groot en boordevol gevuld

Met schemering van hoop, dat ongeduld

Geen plaats vond waar er volop was bereid

Van weelde ieen die tegenwoordigheid.

Ze wist niet dat ze ergens was, wel waren

Haar oogen open en bewogen baren

Van lichte nevel voor haar, maar ze zag

Ze niet, noch hoe de luistre nacht den dag

Verving, de dag den flikkerenden nacht.

Zij was geheel alleen en hield de wacht

Alleen bij eigen ziel, wat of er ging

Binnen en om en uit dien tooverkring.

Wijl ze zoo mijm’rend bij zichzelve waakte,

Twee jonge goden over zee genaakten

Wedijverend, met flikkerende voeten.

Mei kon ze hooren lachen, ‘t was als toeten

En stooten op jachthorens teon ze voor

Haar langs gingen omzwierend en een spoor

Van trilling maakten in de zonnestralen.

Zooals twee wielrijders: die doen hun stalen

Raderen wieleren dt licht rondspat,

De cirkels draaien en het witte pad

Glijdt weg: ze loeren op elkanders wielen

En trappen vastberaden, in hun zielen

In nijd en haat, voor ‘t doel de ééne wint,

Maar de ander haalt weer in en rijdt verblind

Van wanhoop hem voorbij. De laatste trap

Slaakt los menschengeluich en handgeklap —

Zoo snelden ze verder en het zonnelicht

Bedaarde weder. Mei stond opgericht

En keek nieuwsgierig, ademend diep in

Als een ontwaakte en een nieuwen zin

Voelde ze in zich als een zeebries waaien.

Toen vloeg ze op van af de wolkenkade

De ruimte in dwars door het zonnelicht,

Want anders was daar niet, ze hield gericht

Gerep der voeten naar den loop der goden.

Wel gingen die veel sneller, ‘t waren boden

En loopers in het godenland, maar toch

Zag zij ze lang, verdwenen rook ze nog

Olieëngeur die van hun schouders leekte

En in de zon versmolt in damp en weekte

Zich wijder uit, dat was een geur’ge gang.

En Mei geleek nu eens de waterslang

Die door de sloot zwemt, ‘t lijf gelijk een staart

Al slingerend, dan nmakreel, met vaart

Doorschiet die ‘t water in blauw schubbejak.

Dan weer een ekster onder ‘t balderdak

Van helder woud, zijn vlucht daalt en verrijst,

Hij vliegt in ‘t blauw en wit en vliegend krijscht.

Totdat ze kwam waar slagorden van vlammen

Branden als in bataille, oranje dammen

Van vuur, als eeuwenoude wouden hoog.

Daar knetterde niets, maar stillekens ontvloog

Telkens een nieuwe vlamvlaag uit de oude:

Vlammen als palmebladen en als gouden

Waaieren in een balzaal langs den wand.

Rijen van vlammen als wanneer in ‘t land

Een leger vijanden valt en in den nacht

De stille zwarte bergen onverwacht

Bersten van vuren van het groot bivouac.

Zij vloog in ‘t vuur, dat wijdde als een wak

Zich uit in ‘t ijs, waar Oostewind op blaast.

Een poos ging ze door vuurprieel, verbaasd

Hoorde ze tongen lispelen en ruischen

Van woorden als van bladen, maar de sluizen

Der vlammen lieten haar toen uit, toen juist

Ze blijvend hooren wou wat of er ruischt.

En verder zwom ze als een groote visch

Die ook stil in de diepe wat’ren is.

Haar oog was diep en koud, verwondering

Waakte beneden in haar, zonderling.

Toen kwam ze bij hemelsche voorhangen

Van zij en zon, zooals de doorgangen

Van zalen der Chineezen zijn: figuren

Er in gesponnen waren vreemde dieren,

Griffioenen, vampyrs, en bloedroode draken

Met kronkeltongen in getande kaken.

Ze zag de pooten bij het openwaaien

Zich traag bewegen, en de zijden baaien

Der sleepgordijnen haar langzame staatsie

Uitzetten en opgolven, en de natie

Der beesten woei mee op, heel eindeloos:

Beweging heel ver weg, geluideloos.

In kleur groen, violet en rozerood

Afwiss’lend zwol het zeil, het leek een vloot

Van stevenende schepen onder zeil.

Die snelde ze voorbij, en tone, terwijl

Ze niets zeer duidelijk zag, want inspanning

Maakte haar oogen blind, het hoofd vol, ving

Rondom haar een muziek aan, minnelijk.

Ze wendd’ het hoofd dan hier, dan daar, van schrik

Verblijd, maar zag niet veel, een enk’le bloem,

Een eg’lantier, en soms het opgedoem

Van donk’re rozen uit een rozebosch.

‘t Werd bloemvoller om haar, maar alles los,

Het week al uit en niets was zeer nabij;

Boven en om haar hing in geur een rij

Lichtende mzuikale bloemen, schal

Van zware wat’ren ver af, overal

Een enkel vogeltje, zingend’ heel schel.

Ze streefde moei’lijk voort en voelde knel

En dwang om armen, eensklaps vogelvrij,

Voor haar een beekdooraderde bloemewei.

Een bron stond als een koelvat op te schuimen,

Een beek sprong uit dat bed en door de ruime

Weide dwalende weidde hij zijn golfjes.

Muziek makend zaten er engelenelfjes,

De beenen in het water, aan den oever —

Triangels klankten, snaren gonsden doffer.

Voorbij, voorbij, de wei werd als een hei,

Donkerder grond, en zonlicht’s melodij

Onhoorbaarder aldoor, een groote avond

Dommelend opdoemend, met duister lavend

Oogen van Mei die nu een vleermuis leek,

Rondzwermend nachtziek in een schaduwstreek.

Heel langzaam roeide zij nu naar het duister

Dat voor haar lag, het lokte met gefluister

En nam haar in zijn vouwe’ en plooien op.

Nieuwe wond’ren, want een geestentroep

Schoof daarin voort, reusachtig, en een kudde

Mammouthen drijvend, dat het duister schudde

Zooals de bergen, als de aarde schokt.

Ze waren zwaar gearmd en zwaar gelokt,

Ademden nevels, zelve nevelig.

Ze trokken rond, niet haastig, drongen zich

Zelve en anderen voort met zwaar gesteun

En soms een roep, terwijl een bosch gedreun

Geleek te geven van vallende eikenboomen.

Een leege, stilte. Toen zag zij aandoomen

Woester wolkende damp, te voorschijn reden

Ruiterscharen vechtende, met de kleeden

Zwaar hangend om de zwarte paardenruggen.

Knodsen vielen, menschen vielen — en stugge

Krete, en wraakgerochel klom. — Walkuren

Dreven vechtenden voort en breede gieren

Wolkten nog na. — Toen werd weêr alles stil

En groeid’ een woud op met dof bladgeril.

En door die godendroomen, droomeheg,

Terwijl het lichter werd, zocht ze haar weg;

Ze zag nog in de verte wezens nad’ren

Tusschen de boomen: groote grijze vad’ren

En blonde vrouwen door den witten damp.

Die vluchtte ze en zocht het open kamp,

Dat zag ze door lichtgroene bladeren.

En ‘t bosch verdween zoo als op raderen

Een trein van wagens op een lange brug;

Daar leek wel alles teokomst en terug

Zag niemand ooit: een nieuwe heerlijkheid

Opende de poorten: had ze haar verbeid?

Een blanke straat daar voor haar, watervlak

Tusschen twee vastelanden, daaruit stak

Aan d’overkant omhoog sneeuwwitte toren,

Gebouwd uit blokken ijs, van uit de voren

Der blokken lekte het ijswater geel.

In elk blok scheen de zon, en van geheel

Den toren daald’ en stroomde watergoud;

De toren was hemelhoog opgebouwd

Tot diep in ‘t blauw, maar lager op kanteelen

Zaten er groote duiven zich te streelen

Met gladde bekken in het glad geveert.

En naakte mannen zaten ongedeerd

Door duizeling, op de klaroen te blazen.

Zoo stond een toren daar water te wazen

En blanke manne- en duivekleur, terwijl

Mei zacht aanvloog, zoo als een sloep met zeil.

Voor die sublime poort van ijzig marmer

Woelwater brak op marmertrappen, warmer

Leek dat te worden van gebruis en licht,

En beider schuim doorzichtig als gedicht

Uit licht en water, tot een fraai geheel

Van lichtgeflikker en watergespeel.

En door dien toren liep een doorgang door,

Daar liep ze door, terwijl hoog van een koor

Bij de gewelven jonge stemmen zongen,

Blanke en roode gezichten zich verdrongen

En overkeken naar den gang van Mei.

Zij lachte wel omhoog maar trad voorbij,

Ze hoorde ze nog fluistren en verhalen;

En toen door lange gang, een gang van zalen,

Vol zalig licht; heel eindeloos omhoog

Gingen de vlakke wanden: regenboog

Van kleuren zeefde het doorzichtig dak.

De vloer lag vol van kleurenlicht, dat brak

Door glaze’ en ijzen koepels, eindloos hoog.

En door de muren zag ze, en haar oog

Toog telkens nieuwe zalen in, ze stond

Soms even stil, hoorde zij niet den mond

Van Balder zingen in een verre hal:

Was ‘t schateren van den lichtwaterval?

Waren de wanden water, licht of ijs?

Hadden de kleuren daar eigen paleis

Gebouwd alleen, of waren het de zangen

Muziek van Balder die in rij en rangen

Hun hallen daar hadden, waar binnen zij

Aten en dronken eigen melodij?

Soms zag ze heel ver in een corridor,

Een wit gewaad verdwijnen, en te loor

Ging dan haar vragend roepen van zijn naam.

Balder, Balder, ruischte langs wand en raam,

En trillend gonsden golven licht het voort.

Eens was een zaal verlicht, zooals het Noord

Is ‘s winters van het blauwe Noorderlicht;

Daar stond een enkel manbeeld opgericht,

De oogen open, vinger op den mond.

Daar was het heel stil, alleen een vlaag woei rond

Van kouden wind, met pijnboomengejammer.

Aan de overzij zag ze een lichte kamer,

Daar stond een jonger vrouwbeeld opgericht,

Daar was het licht van zuiderzon, ‘t gezicht

Bloeide van bloed, de voeten stonde’ in bloemen.

Een vinger op den mond en winde’ als droomen

Vloeiende om haar, zacht vloog ‘t blonde haar

Omhoog, viel over de ooge’ als froomeschaar.

Verder, verder, het voetgetree liep heen

Over de kleuren, ‘t waren ijs of steen,

Het leken jaspis, parelmoer, saffier,

Moorsch rood graniet, en spiegelend porfier;

Alles was spiegelend, het leek alsof

Daarin gedaanten schemerden, als loof

Van boomen in rivier die langzaam trekt —

Want elk beeld bleef daar leven, eens gewekt.

Het was daar stil, maar door de stilte drong,

Begon te gonzen een geluid, een gong

Wordt zoo gehoord in zwart Indischen nacht.

‘t Was zwaar en bang alsof een heel volk lacht.

Het licht verschrikt’ er van, verdonkrend even,

Maar lichtte toen weer, en het kleurenzweven

Ging ongestoord van boven naar benee

Weer door en weer naar boven, en ze glee

Ook door die kleuren naar dat gonzen heen.

‘t Werd zwaarder, maar er flikkerde doorheen

Als stralen bliksem soms een schaterlachen,

Als geele bliksems wen den donderwagen

Thor trekt met onweersvrachten; maar allengs

Hoorde ze helle klanken of een mensch

Spreekt tot een volk, of boven het gelui

Van ‘t heele carillon, de zware bui

Van klepelslagen: damiaatjes hoog.

En eindlijk ziet ze waar in koepelboog

Een span van poorten staat met goud getuigd,

Die ziet ze niet maar loop snel aan en buigt

Het hoofd eerst even, hoort en wil heenloopen,

Maar blijft en bevend doet de deuren open.

Stilte. Ook Mei stond stil. Dat was een hal

Schel schaduwloos licht, ‘t kwam van overal.

Een rij van mannen en een schittering

Van glas en zilver, in een breeden ring

Om lang gestrekte tafel. Dak of wanden

Waren niet zichtbar, bloemen in guirlanden

Omhoog, terzijde, en gesponnen loover

Boven, terzij, met boomenlichtgetoover.

Diep heel ver achter in zat op een rots,

Klein leek die in de verte als een schots

Van ijs in zee, een oud gebaarde man, die

Stond op, bokaal ter hand, en uit verschie

Ziende naar Mei galmde hij deze woorden —

Allen verrezen, stonden langs de boorden

Van het banket, zooals de rijen riet

Golvend en buigend waar de stroom vervliet.

Hij sprak: ”Ik zie een duifje in dit nest

Van doffers, wenscht gij iets, dan waar het best

Gij zocht den oudsten, zwaksten, wijsten, mij.

Wie zijt ge?” En nadat de mannenrij

Schatering en bokaalklank stil had, zei

En zong ze dit led uit — het was zooals

Een vrouw zingt in een zaal, uit haren hals

Springen de klanken in de stille lucht,

Benee drinken de hoorders het, geducht

Schallen de wanden. — Zoo schalde haar sporaan:

”Luistert, luistert mannen, ziet mij aan,

Luister o koning van het eind der zaal.

Klaar is de maan, klaar is de manestraal,

Klaar is het starrehaar, klar is de nacht,

Koud is het manevuur, koude is de winternacht,

Klaar is het manekind, koud als de nacht?”

Sommigen rilden, één zett’ aan den mond

Den warmen wijn, mar stilte was in ‘t rond”

”Luistert, luistert mannen van dit huis,

Luister, o koning, naar dit woordgebruisch.

Goud is de zon, goud is de zonnepijl,

Goud is het zonschip, goud is het zonnezeil,

Gulden de avond, dulden de havondmond

Waaruit de zon zeilt, vroeg in den morgenstond;

Hel is het zonlicht, helend het zonneheil,

Goud is het zonnekind, hel die de zonne zond.

Ziet ge het zonnekind, gij die hier woont?

Koel is de maan, heet is de zonnestraal,

Samen wonen ze binnen één hemelzaal.

Ik ben het manekind, zooals de mane koud,

Ik ben het zonnekind, heet als het zonnegoud.”

Toen sloegen sommigen hun bokaal tot gruis,

Allen schreeuwden en het heele huis

Wankelde daverend, — terwijl Mei ging

Dalend en rijzend buiten om den kring.

En allen keken waar ze lang kwam om,

Sprekende als ze aankwam, vóór haar stom;

Was ze voorbij, dan spraken wel de oude

Goden bewonderend, maar wie de gouden

Haren nog hadden, keken haar na, dan

Keerden ze zwijgend weer tot spijs en kna.

Ze zagen haar de steenen van de rots

Beklimmen waar, hoog in zijn koningstrots

Wodan ter neer zat en zijn baard neerhing.

Hij had alleen een tafel en de ring

Der goden brachten hem om beurt de spijzen.

Men zag Mei nadren, en Wodan oprijzen,

Toen zaten ze te samen: als een duif

Zit bij een paardekop in paarderuif.

En aan het maal zaten de goden aan,

Jonge en oude goden. Mei zag z’aan,

En zocht naar Balder, maar hij was er niet.

De tafel leek de hemel als men ziet

Den melkweg; als dat schittren was het bonzen

Van een nieuw wijnvat in de zaal gerold.

Hier brak er een gelach los en dat hold’

Uitgelaten de tafel rond, dan schudden

De hoofde, dan weer stiller — als een kudde

Van schapen graast, wordt dat geluid gehoord.

De schittering van ‘t gebekerte omboord

Met wijn, de bekers in de blanke handen,

Als fijngestreelde bloemen, rijen tanden

Tusschen volle lachende lippen, met

Haar, wange’ en oogen met een glans gebet.

Het maal ging voort, de herten en wijnvaten

Werden geopend, wijn en bloed gelaten

In glas en schotels, tafels stroomde’ er van.

Wijn gorgeld’ in de roe,mers en één kan

Brak en de wijn brak ut als uit een bom.

Allen schreeuwden stampend er rondom.

En langzaam aan begon ‘t gezwaai van rompen

En ‘t wankelen der hoofden, schepen dompen

Zoo in de golven als de storm begint,

En morrend brommen als wanneer de wind

Door ‘t leege touwwerk raast der visschersvloot,

Die op de ankers rijdt in watersnood.

En zoo terwijl rondom een fel licht scheen,

Glorie van licht, waarin het maal beneen

Een zee geleek in ‘t woelen, waar de zon

Op brandt en flikkert, water gromt, begon

Mei en ze boog zich tot den ouden man,

Die luisterde, stil voor zich zined: ”Wodan,

Waar is de schoonste god, o waar is Balder?”

Zoo valt een boom om, zoo als van zijn schouder

Zijn hoofd voorover viel, zijn oog werd dof

Terwijl dat viel, zijn handen met een plof

Vervielen van de tafel op zijn knieëeen.

Hij werd veel ouder en zij zag bezijen

Zijn hoofdd vergrijzen en zijn huid werd geel.

Ademloos en grootoogig zag ze, heel

Zijn oude lijf rillen en beven, wolken

Over hem gaan; gekreun zoals het bulken,

Runderebulken, hoorde ze in hem.

Boven en rondom ving orkanestem

Het klagen aan, de lucht werd zwart, en hagel

Begon op tafel kletering, gewaggel

Greep tonnen en okshoofden aan, de zaal

Werd lag door dampen en door wolkgedaal.

Stommer werden de goden, een voor een,

En stijf van schrik, ze bleven nog bijeen

Zitten zooals ze waren, wijl rondom

Als wolvehuilen windeloeien klom.

En midden in dat stommelen rees toen Wodan,

Een oud man met een grijs gebeente: ”goden,

Zoo sprak hij, heden is al vreugd vervloekt,

Het is mijn zoon, ‘t is Balder, dien zij zoekt.”

En alle goden bogen zich ter neer,

Steunden de hooden op de armen, meer

Hoorde niemand dan doffer rouwgeklaag.

En als een herder stond Wodan, en laag

Was ook zijn hoofd gebogen, ‘t was als zong

Hij vóór: een treurlied — ‘t gonsde op zijn tong

En de godessen hoorden in ‘t verblijf,

Spelend en spinnend, en ze zaten stijf

Luistrend als zomerbloemengroepen eerst:

Hieven zich langzaam op en vingen teerst

Gefluister aan, staande dicht bij elkander,

En namen haar gewaden en toen zonder

Geraas of lachen, in een blanke rij

Als reizende zwanen gingen ze voorbij

Haar hooge deuren en door de portalen.

Ruischende als de sneeuw kwamen ze dalen

De drempels af, de hooge ramen in

En hoorden Balders naam, en leed en min

Deden ze weenen waar haar groepen stonden

Onder donkeren boomen, waar ze vonden

Opene vloerren, knielden ze wel neer.

En ‘t vrouwejamm’ren ruischte er zacht en teer

In ‘t mannemomplen, zoo als waterwel

Ruischt in de herfstbosschen, droevig en schel.

Een was er droef en stil en dat was Mei,

Zij kon niet weenen, in zich voelde zij

Leegte en eenzaamheid — wnt heen was hoop

Die daar had zitten spelen — en ‘t was verloop

Van koud bloed maakte nu haar lichaam kil.

En zij zat stil en voelde alleen geril

Over haar rug, toen de Asinnevlucht

Vloog in de zaal met duivekengerucht.

Herinn’ring kwam haar aan Idoena’s naam

En zoekend keek ze rond waar ze te saam

Hurkten als duiven op den duiveslag.

Er zou wel iets van zijnen zonnedag

Glanzen nog in heur haar en van zijn kussen

haar bloed nog blaken. Maar ze was niet tusschen

De anderen, omdat ze bleef te bed

Waar jonge Balder vroeger kwam en met

Haar sliep, en droome’ als opgebloei van rozen

Sproten en stilden haar liefs minnekozen.

En roen terwijl rondom de bodem dreunde

En buiten onweer, en de goden kreunden

En mompelden, ontbloeide dit gesprek:

Mei’s woorden wat den lentevogelbek

Ontwelt; maar Wodan’s, wie terwijl de boomen

En blaan doen sidderen, de windestroomen.

En telkens bij zijn naam dan werd geslagen

De lucht van schrik en konden zich niet schragen

Noch zuil, noch god, noch rots, noch boomehagen.

”Balder, Balder, waar is hij, wie bergt hem?”

”Van hier verdwenen,” gromde Alvader’s stem.

”Weet niemand waar hij is, komt hij niet weer?”

”Niemand weet dat, hij komt hier nimmermeer.”

”Was hij hier jong en blijde en danste en zong?”

”Zijn stem klinkt, schaduw danst nog waar hij sprong.”

”Was ‘t heele huis niet licht als Balder kwam?”

”Wee mij, wee mij, wien hij het licht meenam.”

”Lachten de goden dan, bloosden godinnen?”

”Met hem trad zaligheid de zalen binnen.”

”Was hij de blankste en de blinkendste?”

”Zijn oog het lichtst, zijn stem het klinkendste.”

”Balder, een hemelster, een dagebloem.”

”Balder, een woudvogel, Walhalla’s roem.”

”Balder, van springfontein, een waterval.”

”Balder, een zonneberg, een bloemedal.”

”Balder, Balder, waar is hij, wie weet hem?”

”Noemand meer weer hem,” gromde Alvaders stem.

”Idoena, minde zij dan Balder niet?”

”En nog, terwijl zij ook dit wee geniet.”

”Hoe wachtte zij hem, wer de avond geel?”

”Op rozebed, onder vioolprieel.”

”Hoe kwam hij dan in haren arm, vermoeid?”

”Zóó niet, maar straalgekroond en lichtgeschoeid.”

”Hij had om zich glorie en geuredamp.”

”Elk zijner handen was een lichte lamp.”

”Balder, zijn leliehuid had oliegeur.”

”Balder, zijn prachtig bloed had purperkleur.”

”Balder, zijn lijf zoo als een koningstroon.”

”Balder, een koningskind, een Wodanszoon.”

”Balder, Balder, waar is hij, wie weet hem?”

”Wij weten niet,” gromde der goden stem.

En aldoor was de zaal vol gewoest gewuif

Van windbewogen nevels en gestuif

Van bladeren. Het water buiten botste

Tegen de fondamenten, en er klotsten

Brokken van golven voor de ramen op.

Zoo loeit de stoomketel na nieuwen schop

Van steenkool en zijn vlam en water razen,

Zooals de wond daar rondging en de wazen

Van dampen voortdreef, nieuwe achter hem.

En Wodan stond daarin en hield zijn stem

Van nu af stil, en ook de goden zwegen

Als mannen om hun koning neergenegen.

En toen zei zij: ”nu mannen luistert nu,

Ik zelve zag hem: breng een tijding u.”

Die zon kwam schijnen in den droeven tuin:

In stilte klom de nevel in de kruin

Der boomen, onder werd het klaar en klaarder.

‘s Avonds na stortregens wordt zoo de gaard’ er

Lichter en lichtst van en vol diamanten

Van zonschijn en van regendroppels, kanten

Van spinneweb, bedruppeld en bekleurd

Weven de stuiken, elke bloesem geurt.

En nogmaals zei ze: ”mannen, luistert nu,

Ik zelve zag hem, breng een tijding u.”

En weder klonk dat helder uit en stilde

Als milde olie golvemomp’len, rilde

Nog voort en uit en om en vloog toen ook

Idoena’s kamer in, en toen zij rook

En proefde stille effenende troost,

Verrees z’ en dronk hem in en even poosd’

In voorgevoelen, wat dat voelen meen’ —

En murmelde en liep zoo murm’lend heen.

En binnen kwam ze en ze zag ze staan,

De goden en godinnen, wijl Wodan

Alleen stond ernstig — door elkander stonden

Ze daar en blonken en hun open monden

Spraken, dat zag ze en blozende hoofden

Geleken bloemen en oogen beloofden

Vreugde door schittering, en groote handen

Gingen de lucht door, vroolijk, en de randen

Satijn en zij streelden de vloer in slepen.

Zij zagen haar en gingen als de schepen

Ter zij, bij vlootrevue, maar één bleef staan

Heel diep en aan het eind der lichte laan.

En zij, Idoena, wankelde door het midden

Naar Mei en trad dicht aan, en om haar midden

Naar Mei en trad dicht aan, en om haar midden

Legde ze zacht een arm en vleide het hoofd

Aan schouder en langs boezem: vol geschoofd

Staan zoo twee bundels aren op den akker.

En uit haar oogen waakte een geflakker

Van blikken en haar hand begon te streelen

De haren achter Mei en zacht te kweelen

Leken ze iets, verstaan kon niemand dat.

En de andre hand had als een grooten schat

De hand van Mei in zich en greep en knelde

En kuste ze optillend en ze telde

De vingers een voor een met haren mond.

Balder, Balder, ruischte het en ze wond

De armen om haar, of ze Balder was.

En zoo beweegt in wind het lange gras,

Zoo als wind de takken aangrijpt, schald’ er

Hooger en hooger rondom uit den drom,

Balder, Balder, en armen sloegen om.

”Hij leeft, zei ze, hij leeft, want ik zag hem.

Hij leeft en zingt, ik hoorde zijne stem.

O goden, hij zong mij een droomelied,

Een godendroomenlied, ik voelde niet

Mij zelve meer, hem, hem, een tweede hem.

Ik snelde mee en week mee met zijn stem

In blinkende oneindigheid, als in

Koelende meeren, ik was zonder zin,

Muziek alleen, niets van mijn dierbaar zijn

Voelde ik meer, verloren, maar gekwijn,

Gesmelt in tonen, ‘k zelf een lang accoord.

Ik hoor hem zoo altijd en heb behoord

Hem na dien tijd en nu altijd, voor goed.

Hij zweeg en is verwenen en mijn bloed

Stroomt ook weer langzamer, maar diep daarin

Vaart altijd nog het schip herinnering.

Hij zong van u Idoena, ‘k heb gezocht

Uw huis, of hij daarin verwijlen mocht.”

En rondom hingen blijde aangezichten

Als appels en de godenoogen lichtten

En glansden, zijl ze allen naar Mei zagen.

Idoena lachte en lachend liet zich dragen

Door even groote Mei die haar omving.

Ze kuste haar en nogmaals en ze hing

Om haar zooals de blauwe bloemerank,

Clematisbloem haar kelk hangt aan de slanke

Aanzwelling van een vas. Daar was heel lang

Alles heel stil terwijl een ieder drang

Van vreugde in zich voelde en begeerde

Luide klanken en lied’ren: onbeheerde

Zuchten soms vloden uit benauwde keel.

Eindelijk hoorden zij een zacht gestreel

Van vingers langs harpsnaren, want één god

Was stillekens heengegaan en had het slot

Van Balders zale opgebroken en

Zijn cither zich gehaald: te murmelen

Begon dat achter de vergadering —

En allen schemerden van glimlaching.

Hij speelde een lied uit: niemand zag om,

Maar allen voor zich neer, en hielden krom

Het hoofd gebogen, tinteling van klank

Sprenkelde op hen neer, als drupjes drank.

Maar Wodan stond recht op, bewoog het haar

Heene en weer boven de godenschaar.

Toen dat lied uit was spraken allen samen

Zich naar elkander buigend, zoo beramen

De vogels in den herfst hun langen tocht.

En allen lachten en Idoena zocht

Met stil verlangen al de hooge deur,

Of ze noet open ging en haren heer

Doorliet, zoo blank weerkeerrend van de reis.

Nu leefde hij, kwam weer, zoo zong een wijs

Haar minziek zingend hart, en zij zag rood

Boven haar hals en kwijnend droomend bood

Ze hare lippen al in leege lucht.

En om haar fladderde de witte vlucht

Asinnen al met Mei en vroeg haar hoe

Het lied van Balder was, maar zij hield toe

Haar mond en sprak niet veel, maar keek zltijd

Idoena aan met liefde en met nijd.

Een dans. De heele meigt’ danste voort

Van ‘t eind der zaal. Rondom werden verstoord

Van uit verblijven blond gelokte vrouwen.

Lachende kwamen ze, wèl opgevouwen

In haar gewaden, zoo zijn edelsteenen

Flikkerend in satijn, zooals zij schenen

Met voet en beozem uit heur waden uit.

Vooraan den stoet Idoena, Balder’s bruid,

Zij tripte het marmer met haar warme voeten.

Dan dansten allen: en de heele stoeten

Kwamen vooruit, gehande armen dreven

Naar voren en de golven lokken bleven

Meegaan van achter op de lucht. Een enk’le

Wendde het hoofd en lachtem en het tink’len

Klonk als een Roomsche altaarschel. Daarna

Kwamen de rijen goden, een hoera

Weerklonk dreunend: dat schreeuwde groote Thor;

Daarachter and’re goden grijs en schor.

Wodan bleef eenzaam, droef en hopeloos.

Toen hij alleen was, stond hij nog een poos

En zette zich toen neer, zeer zwaar en droef.

En stilte en peinzen maakten toen een groef

Rondom hem donker, waarin hij neerzat.

De zaal werd donker en de gansche schat

Van ‘t maal werd donker, donker werd het brein

Van Wodan, daar blonk nog zijn oogenschijn.

Hij zonk in peinzen en twee zwarte raven,

Als doodgravers die ‘t koude lijk begraven,

Vlogen zacht aan en zetten zich voor hem —

Lang nog luisterde hij naar raad en stem.

Mei was daar nog en zat een einde ver

In ‘t duister en ze blonk er als een ster,

Aandachtig kijkend naar den ouden god.

Buiten danste de menigte en tot

Haar kwam gelach en voetgeschuif en drok

Gepraat flauw hoorbaar, en hoog in den nok

Der zaal hing nevel, gonsde nog wat wind.

En bang en banger werd ze als een kind

Dat voor een oud man wordt, met haar alleen.

En uit haar angst stond ze toen op en heen

Vluchtte ze zonder omzien en ging ver,

Dwalend door ‘t donker als een lichte ster.

En ze werd eenzaam en ze vluchtte verder,

Een schaap gelijkend dat den boozen herder

Ontkomt en nu alleen graast en weer kan

Een kant opgaan naar eigen wil. Moe vna

Anderer blijdschap was ze en eigen leed.

En langzaam liep ze, zag niet, en ze beet

De tanden op elkaar, want er is nijd

In ieders droevig hart bij vroolijkheid.

Ook stond ze nog eens stil, daar achter was

Het blank paleis, het glinsterde van glas

In koepels en in torens, daar was nu

Weer binnen ‘t licht van vreugde aan, schaduw

Alleen had zij: ”O Balder, ìk min meest

Uw jonge rijke jeugd”, dat was haar geest

Een troost, en plots’ling sloeg hoog op in haar

Een golf van trots, ze schudd’ het volle haar,

Zooals een vroolijk paard de staart, en liep

Sneller en sneller als een paard. — Daar diep

En breed en hoog was weer de blauwe rijkheid

Van zon- en etherbrand, die zijn gelijkheid

Niet heeft, maar zelf zich brandt en nooit verslindt.

Het vuur vecht daar met vuur, géén overwint.

En toen ze ver was in die vlakte, stond ze

Een lange wijl weer en nadenkend vond ze

Een groote blijdschap in zich, want ze dacht

Nu zekerder dat hare lange wacht

Niet lang meer duren kon — zij zou nu komen

Dicht bij zijn woning, zouden dan haar loome

Lippen om liefde vragen, o één kus.

Ze drong dicht bij hem, voelde droomgesus

Als wiegde hij haar heene en weer weder.

Ze liep ook heen en weer zooals een veder

Verloren op een vijver door een zwaan,

En bijna kwijnde ze en bleef weer staan.

En hij werd in haar tegenwoordigheid

Zoo duidelijk dat haar neusgaten wijd

Zich openden, alsof z’hem voor zich rook.

Toen dacht ze aan de aarde en er dook

Voor hare ooge’ een bloemschepping op,

Van violette’ en primula’s, gedrop

Viel neer van geurdoortrokken avonddauw —

Zoo rook ze hem en kwijde en viel daar flauw.

En langzaam werd ze toen henengetrokken,

Te droomen liggend, zoo als met al vlokken

Sneeuwbui de lucht doortrekt. En om haar henen

Vloten de murmelwinden, en de beenen

En armen waren diep in geur verhulde.

En heure haren over haar, ze vulden

De blanke vlakte van haar borst, bewogen

Even op wind omwarend in dien hooge.

Toen was ze werk’lijk schoon want hare ziel

Was ganschlijk in haar, geen begeerte viel

Nu meer naar buiten, o een echte bloem.

Waar drijft gij nù heen, gij Mei, die ik noem

Mijn eigendom, gij die mijn duiventil

Al lang zijt, in wie alle duiven stil

Neerzitten, mijn gedachten, of ook vliegen

Naar binne’ en buiten en zich mogen wiegen

Over u en om u, Mei, mijn lieveling.

Zij zullen u wel volgen, hun gezwing

Wordt nog niet moe, maar gaat gij niette ver?

Ik zie u haast niet meer, gij zijt een ster

Zoo hoog, het is alleen mijn zwakke oog

Dat u nog volgt, mijn lippen worden droog.

Waar drijft gij nu toch heen, mijn lieveling?

Toen ze zoo lang gedreven had, toen ging

Ze overeind weer, zóó, zooals een duiker

Te water, in haar handen vond ze een ruiker

Van violette’ en primula’s en lachte,

Nu wist ze zeker dat ze Balder wachtte.

Ze fladderde ook voort maar droomend traag,

En dacht aan hem en aan de eerste vraag

Die ze hem doen zou, o maar éénen kus.

Toen voelde ze zijn lippen en ‘t geblusch

Zacht sissen op haar mond, en in haar vingers

Zijn vingertrillingen, in blonde slingers

Der lokken zijnen aêm, en o zijn wang

Nu tegen haren en ze ging haar gang

Weer zls zoo even omgevallen verder.

Zij was zich geen gevoel bewust, toch werd er

Aldoor in haar gespeeld door veel gedachten,

Als muzikanten die hun hoorders wachten

En vast probeeren snaren van viool.

Zoo klonk het in haar, die niet hoorde — school

Haar zelf dan weg en wilde niet genieten

EN hooren en de toonen zacht zien schieten

Dooreen als strengels struik met bloem begroeid?

MAar toch, terwijl gevoel met geuren stoeit

In haar, vingers van Balder, Balders geur,

Vaart ze vooruit, de voeten voor, en kleur

Waait over haar en maakt haar telkens rooder

En witter van de voeten tot haar schouder.

Zie, nu ontwaakt ze weer en gaat ze loopen

Sneller en sneller, laat de voeten doopen

In schemervuur en rook, zoo is dat blauw.

Ze is nu vroolijk, zie hoe luw en lauw

Ze uit haar oogen lacht, ze ziet hen beide,

Zich zelv’ en hem, o nu niet meer te scheiden,

Ze heeft haar beide armen om hem heen.

Een gouden woning ziet ze en zijn schreen

Komen den drempel over, en zij ligt

Over een leger heen en voelt het licht

Alsof de roode zon komt in de kamer.

Zie nu hoe rood haar wangen, hoe de schaam er

Binnen zijn vuur stookt. Zij verdraagt het niet

En droomt weer in. — En daar begint een lied

Weer in haar, dat ze toch niet hoort, hoewel

Ze zelf het zingt — zoo als uit diepen del,

Door loover, oever en door zon bekoord,

Een bronwel springt maar ‘t springen zelf niet hoort.

Zoo bleef ze varen vele aardsche dagen,

En zij noch ik weet, hoe noch waar, of vlagen

Van eigen willen haar voortdreven, dan

‘t Begeerrend trekken van een godd’lijk man.

Ik weet het niet, want al dien tijd was ik

Diep in u, Mei, u zelf, geen oogenblik

Keken wij rond, maar voelden diep in ons

Een warmte en zachtheid als vogeldons.

En toen zij ontwaakte — is ‘t niet, Mei? —

Toen was het door een koelte: mijmerij

Van nevelen was daar en het was donker

Van donzig vochte nevel, en het wonk er

Als met heel groote oogen. En ‘t was warm

Als was een vuur niet ver, er hing geen scherm

Boven haar oogen die de starren zagen —

Maar rondom waren wolken zooals hagen

Van zachte coniferen en beneden

Als kussens mos waarop de voeten treden

In ‘t bosch als ‘t lente is, dan zijn ze zachtst.

”Nog niet? was hij er nog niet?” Zoet gelachs

Kwam flauw op haren wang, het was onnoodig

Om nu nog bang te zijn, want werd niet roodig

De scheem’ring daar? O dat zou hij wel zijn.

Zij zweefde er henen, maar die roode schijn

Zweefde ook voort. Ook dat was groote vrede

Voor haar: zij gingen samen. En beneden

Veerden de nevelkussens, en van boven

Werd het ook lichter, ‘t werd een donk’re oven

Die langzaam aangloeit. Toen de waarden gedaanten

Van hooge taille en licht wit getinte

Heel, heel veel hooger, en die strooiden bladen,

Rozen ontbalderend, het waren zaden

Van licht, want waar ze daalden schoot een oogst

Van koren licht den nevel door, op ‘t hoogst

Rondom Mei’s schouderen; zij was heel blij

Dat zoo ontvangen werden zij en hij.

En langzaam weken alle nevelingen

Van nevellommer, schaduwnevelingen.

Die sloegen alle op de vlucht, rondom

Zag ze vervlieten lichte neveldrom.

En langzaam op begon muziek te tink’len

Bloempjes muziek, klokjes muziek, te kling’len

Klepeltje in klokmantel’s glazig huis.

En elke klank splinterde dan tot gruis

En klok en klepeltje, want voor één klank

Waren ze maar geboren, dood tot dank.

Toen gingen henen muziekwolken drijven,

Ze zag ze niet, maar zag ze wèl, beschrijven

Strepen en kringen en zich kalm verheffen

In lichte verte, en ze kon beseffen

Hun klankenrijkdom in hun volle kleur.

Teer rose waren ze en zonder scheur

Noch berst, maar hoog daar barstten ze in regen,

Wolkbreuk van klank, zoo klankloos opgestegen.

En regenden dan neder in gordijnen,

Loodrechte stralen, druppels die doorschijnen,

Als kralen aangerege’ aan Indisch riet —

VOor ‘t oor voorbij, voor oogen ver verschiet.

Henen vloden zware en lichte klanken.

Ze voelde in zich heen en weder wanken,

Als heel jong kind dat nog niet loopen kan,

Haar lang verlangen, en als krachtig man

Verdreef dat and’re zielsverbeeldingen.

Was hij er nog niet, dacht ze, Balder, en

Toen kon ze rondzien zonder meer te hooren.

Het leek de aarde, want er stonden koren

Van boomen rondom: lichte populieren

Zonlicht niet weigerend, maar met hun slieren

Het schuddende en trillend. En er gingen

Lichte heuvelen hoog en daarvan hingen

Bloemen in menigt’ af. En verder hooge

Wanden van hoogvlakten en daarvan bogen

Zich watervallen tot een duizelsprong.

En haar verlangen werd zóó groot, ze kon

Al deze aardsche dingen niet meer aanzien

Van tranen en van liefde, en in waanzin

Voelde ze hem in ieder ding: ze snelde

Op een boom aan, hem denkend, en ze stelde

Zich voor dien, armen open, en ze viel

Tegen dien aan en kuste en een ziel

Voelde ze in hem; in een sloot die open

Langs boomen lag, stortte ze zich, het loopen

Verrukte haar, diep in zijn worst’lend nat.

Toen werd ze op de lucht verliefd en mat

Dien met heel groote stappen en ze dronk

Hem in en at en streelde hem, gelonk

Gaf ze’m met hare oogen en ze liep

Heel hard door hem, dan volde ze hem diep.

Ze liep door weiden en op heuvelen,

Ze liep op bergen en door wateren,

Ze liep een wereld af door Balders rijk,

Overal was ze en zag zijn gelijk

In alles, maar hem niet — tot dat ze kwam

In één vallei en daar hem zelf innam.

Ze nam en zwolg hem in, ìn hare oogen,

En sprong vooruit en greep hem en gedoogen

wou ze niet dat hij sprak, ze drukte hem

De lippen met de hare toe, hun stem

Werd niet gehoord, heel lang, ze zat dichtbij

Tegen hem aan en boog zich, en voorbij

Zijn borst, haar hals omhoog, stilde ze zoo

haar dorst, soms snikkend en ter nauwernoo

Ademend. Eind’lijk viel haar hoofd terzij,

En op zijn schouder brak ze in geschrei.

Hij was een man aan wonderen gewoon,

Wonderen van gevoel, en daarom kon

Hij zoo gerust blijven zooals hij zat,

Terwijl zij uitschreide. En in zich had

Hij weldra ook haar beeld, zooals ze schreide,

En werd zelf warmer en de handen beide

Sloeg hij tone om haar en hield zoo haar vast,

Dicht bij zich, weenen weinig zelf, als was ‘t

Zijn zusterke, wier weedom bij hem weende.

Toen voelde zij zijn natte tranen, leende

Het hoofd nog meer ter zij en zag weer licht

Door hare trane’ en droogde haar gezicht.

Toen zag zij zijne lippen weer, te kussen

Boog zij zich over en hij voelde tusschen

De zijne haren liefelijken adem,

Een lenteadem, en toen kwamen naar hem

Herinneringe’ en lichte lentebeelden:

Hij zelf werd als een lente en er kweelden

Vogeltjes in hem als in jongen boom.

Toen week ze weer van hem en zat in schroom

Naast hem, bedremmeld, met geloken oogen,

En toen haar handen hem verlieten, togen

Bij hem weer ìn gedachten, zooals kind’ren

In eenen boomgaard komen, ze vermind’ren

De hangend’ appels, maar er vallen veel

Meerd’re beneê, het gras ziet rood en geel.

En toen ze daar in stilte eind’lijk goot

KLeurige woorden, zelf zag ze schaamrood,

Toen was het hem alsof de zon op ééns

Na ‘t zwijgen van den nacht en het geveins

Der bleeke schmeing, uit wolkmoeras

Zich oplaat, blazend, en met zijn geblaas

Kleuren heenspreidt over de lucht, de velden,

‘t Water, ja, alle dingen ongetelde.

”Ik ben maar Mei, ik woon maar op de aarde

Het waren Zon en Maan, die mij klein baarden,

Nu ben ik groot want nu zit ik naast u.

O maak mij grooter, nòg ben ‘k klein en schuw.

O laat mij hooren hier naar uwe woorden,

Alles vergeten wat mij vroeger hoorde

Van jeugd en schoon, maar alles zien wat u

Behoort, o u een boom, in uw schaduw.

O sta nu boven mij zooals een boom

En laat mij liggen onder u, een droom

Verritselen zal ik uw bladen hooren.

O laat mij niets zijn dan ééne bekooring,

Een droom van u, o maak mij altijd vol

Van u, een vrucht die ‘t zonlicht levend zwol.

Zie, ‘k wil u geven alles wat ik heb,

Ik deed het altijd, ‘k doe het nog, ik schep

Honderde dingen uit mij, àl voor u,

Ik ben zooalas een mijn, uit mijn schaduw

Werp ik te voorschijn groote edelsteenen

En maak er bergen van, de zon kan weenen

Als hij ze ziet, zoo glinstert dat, zoo breek

Ik mij al heel lang, Balder, voor u open.

Balder, Balder, hebt gij mij zien loopen

Over de aarde nooit, hebt gij gezien

Hoe alle aardsche goden kwamen biên

Aan mij al wat ze hadden, en mijn vreugd

Om ‘t al te nemen, mij er mee verheugd

En lachend, te weerspiegelen in een plas,

Wanneer de maan scheen en het in het gras

Rondom mij neer te leggen in een keten

Van schittering en straalgebreek — o weten

Wil ik dat nu niet meer, ik heb u.

MAg ik nu ook uw kussen drinken, nu

Gij hier zoo naast mij zit, een groote bron

Van kussen en van spel voor mij, ik kon

Zoo erg verlangen naar u in een nacht

Op aard en in den hemel” — en zeer zacht

Als wilde ze in iedre kus fijn proeven

Al haar verbeeldingen, zoo lang begroeven

Zich hare lippen in de zijne, en

Ze weende weer en kon niet ophouden.

En in haar stem liet hij zich henewiegen,

Zooals een vogel in de zon, niet vliegen

Doet die ook meer, maar drijft zoo doelloos rond

En voelt de zonneschijn — en zijne mond

Kuste gemakkelijk omdat haar roode

Zangerige lippen het aldus geboden.

En toen ze daar zoo zaten als een bloem

EN nog een andre, die saam aan den zoom

van ‘t bosch gegroeid zijn, zóódat ze soms raken

Elkaar wanneer de wind waait, en het blaken

Van d’een de ander voelt, de stengels streelen

En wrijven langs elkander en de geele

Bloemhoningharten zien elkaar in de oogen —

Zoo zaten ze en toen terwijl bewogen

Voor hen veel wondere verschijningen

Op maat en melodie en deiningen.

Zoo was dat land waar al dat Balder dacht,

Hij landsheer en landsgod, zich zelve bracht

Te voorschijn en ter wereld en bleef leven

Tot nieuwe onderdanen het verdreven.

Want al die dingen die Mei voor zich zag

Waren zìjn onderdanen, zìjn gezag,

‘t Waren de beelden zijns lieds geruisch op zijn rhythmiek,

Maar buiten hem de levendlichte schemer,

Schimmenafbeeldsels in een spingewemel.

Zoo zaten ze, hij stil muziek te maken,

Zij, zonder hooren, zag ze wel genaken.

Een schaar van kindren springende en blond,

Met teere witterozeschijn en rond

Van arm en beenen, oogen als op kronen

‘s Avonds kaarsvlammen zijn en op de konen

Roode vlammetjes als op vruchtevellen.

Ze breiden zich in rijen en ze stellen

Zich naast elkaar: ‘t zijn jongetjes en meisjes.

En elk zoekt toen de zijne, met zijn beidjes

Dansen ze toen: zoo zijn de duizendschoonen

Binnen het woud, waar zon schijnt, anemonen

Groeien zoo twee aan twee op zeeëgrond.

Een fee verschijnt, ze springen om haar rond

Opkijkend en ze leunen aan haar beenen,

Grijpen haar handen hoog, gaan met haar henen.

Toen wordt het schemering en avondgroen,

Doorzichtig watergroen beneê, er doen

ZIch dons en dunne dauw op. Donkerder

Wordt alles en er is geen grond meer, ver

En hooger wordt de nachtehemel zichtber.

De maan komt op, de nevel wemelt, licht er

Phosphorisch mos en paddestoel, weerlicht

Het heen en weer van zomerbliksems, vliegt

Het van dwallichtjes in de lucht, de zicht

Der maan slaat ze verblinen af het graan,

Het starkgekroonde graan, van hare baan?

De lucht is vol van leuge’ en twijfeling,

Maar langzaam donkert het, zijn halven ring

Verbergt de maan en haar twee scherpe dolken,

Donder gaat om, aandobberen de wolken.

Stil is het en de lucht is vol van zwart,

Het is vol zwoelte, leeg van licht, het hart

Van de nacht zelve klopt niet meer, is dood,

Het nacht-lijk is nog warm, het zwart is rood.

Violen bloeien uit dat zwarte op,

Twee blauwe bloemviolen, licht valt op

Hen niet, vanwaar? maar zelve hebben ze

Blauw licht in zich, en daarvan lichten ze.

Ze spinnen en vlechten zoo een groot prieel,

Een wieg van blauw gebloemte, evenveel

Aan wederzijde — en toen was het klaar

EN wachtten ze en keken naar elkaar.

Twee bleke wezens traden toen te voor,

Dicht aan elkaar gedrongen, onderdoor

De armen hadden ze elkanders armen.

De hoofden naar elkander, zoo verwarmen

Z’elkander met hun oogen, om hen heen

Is niets — zij tweeën zijn geheel alleen.

En d’eene spreekt en dit zijn hare woorden:

”Gij zijt geheel in mij en ik behoorde

U al zoo lang, ik weet niet meer wat is

Uw of mijn leven, uw gelijkenis

Ben ik, gij mijn — wordt nu een kind geboren

Uit u en mij, dat zal ons toebehooren

Gelijkelijk, omdat wij beide zijn

Elkanders liefde waard, ik uw gij mijn.”

Zoo zeggende verdwenen ze meteen,

En ‘t donker ging en de violen heen.

En donker bleef het ook om Balder heen

En Mei, in hem een zwaar gegons, er scheen

Voor haar een flikkering van d’achtergrond

Van zijn gedachten en zij waarden rond

Zelve er voor, gewikkeld in het duister.

En zich opheffend hulde z’in gefluister

Koel, maar haar lippen brandden, ook die woorden:

”Gij zijt geheel in mij en ik behoorde

Uw of mijn leven, uw gelijkenis

Ben ik, gij mijn — wordt nu een kind geboren

Uit u en mij, dat zal ons toebehooren

Gelijkelijk, omdat wij beide zijn

Elkanders liefde waard, ik uw gij mijn.”

Donder knalde en rommelde, groote spoken

Vlogen een oogenblik rond en neergedoken

Zaten ze saam, toen schrikten ze weer heen

En vloden hande’ omhoog, huilend uiteen.

Balder stond hoog, hij leek een rots, diep blauw

Was heel zijn lijf, zijn haren zwart, en grauw

Handen en voeten. En hij zeide hard

Als steenen, woroden: ”Nooit, nooit, nooit” en zwart

Trilde hij zoo als een verbrande boom.

Hij zei het nog eens: nooit, en als een doem

Viel dat van boven op de kleine Mei

Die hande’ en voeten uitgestoken, bij

Zijn voeten zat. En hij ging een eind weegs

Van haar en stond. En om zich kouds en leegs

Voelde ze, en was blind en wist niets meer,

Zooals één, doodgevroren in een sneeuwmeer.

Hij stond en voelde eerst een diepe kou

Of hij bevroor en ijs werd, en blauwgrauw

Waren zijn voete’, en handen, en een hol

Van ijs in hem, zooals een berg, een schol

Van ijs die uit de poolzee losgeraakt

Is en ‘s nachts ronddrijft, en de zee bewaakt

In stilte van de blauwe manestralen.

Hij rilde van zijn grootheid en deed dalen

Zijn trillingen als van een hooge trap,

Zijn lijf, zijn tanden beefden met geklap

Tegen elkaar, hij lachte als het water

Dat ‘s winters nog op bergen valt, het baadt er

Door ijsbrokken en korsten grimmig. Hij

lachte met klatering, maar was niet blij.

Maar stiller werd hij, want hij hoorde koren,

Koren van zegelied’ren en verloren

Klanken van solo’s, helle heldenzangen,

Hel en veruukkelijk, en op zijn wangen

Omhoog verscheen een helder rooder gloeien.

Beweegloos luistrend stond hij naar ‘t omroeien,

Vleugel en riemeslagen van muziek,

Breede slagen, zooals van den wiek

Van adelaren of als ademtochten

Van mannen breedgeschouderd, en er zochten

Ook uit zijn borst de ruimte koele zuchten:

Als loeien van een stier, groote geduchte

Geluiden en uitblazingen en woorden.

Om Mei dacht hij niet meer, maar stapte door de

Hemelen, schrijdend heen en weer, gekleed

In een sleepmantel van geluid, die breed

Achter zijn voeten aangolfde: een koning

Omschrijdend door de hallen van zijn woning.

En ook die tred werd langzamer, hij kwam

Weer waar Mei zat, en die gedachte nam

Hem ‘t kleed geluid af, dat geruischloos viel

Om zijne voeten. Over zijne ziel

Spreidden zich toen zeer zachte vleugelen.

En een gedachte kwam daar als een hen

Over een kuiken, op zijn hart en veilig

Voelde zich dat in rust, zooals in ‘t heilig

Der heiligen een ark staat zwaar en stil.

Daar traden binnen, dat de vloer geril

Van voetjes kreeg, blootvoet’ge priesteressen

Met lange fluiten, op een rij en tressen

Doorbloemde blonde welriekende lokken.

Dat was het medelij met Mei, ze trokken

Gordijnen weg en toen zag hij haar beeld

Zittende. Waar hij haar wist zitten knield’

Hij neer en werd weer als de jonge man

Als zij hem kende. Uit albasten kan,

Zijn mond, goot hij als balsem deze woorden:

”Nooit kan dit zijn, Mei, dat ‘k een ander hoore,

Ik Balder, aan een ander, zie, ‘k ben blind,

‘k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind.”

Dit zei hij en hij legde ook zijn handen

Op hare schouders; zooals in warande

Een bloem al vroeg in ‘t jaar de zon ontdooit,

Ontbloeide zij, de koude smart ontdooid’

Ook in de tranen die haar ooge’ onvloeiden;

En zij sprak zijna woorden na, die boeiden

Met nieuwen pijnen haar: ”zie ik ben blind,

‘k Zie nooit iets dan mij zelf, niet u, mijn kind.”

En toen sprak Balder deze woorden of

In leegen dom een orgel speelt en dof

Mompelt langs wanden en door de gewelven —

Maar ‘t spreken klimt tot klaatren, klanken delven

De stilte open en geheimenissen

Uit alle hoeken en de heil’gennissen.

Zoo sprak hij: ” ‘k ben als gij geweest, ik ben

Nu zoo niet meer, als niemand meer, ik ken

Nog wel mijn oude zelf, die gaat nu dood.

Te zien, te zien, dat was mijn vroeger brood

En drinken, en te hooren en te voelen

Wat rondom is, de hitte en de koele

Kleuren en ademhaling, die er gaat

Door heel de wereld en elk wezen laat

Baden door zich en van zijn binnenst maakt

En brandt een oven waar het helvuur blaakt.

Die verlangt naar voedsel, dat is ‘t wreed begeeren,

De opgesperde kaak, de hand die meer en

Meer grijpt en vingers haakt en grijpend kromt.

Die ‘t al verandert en verderft wat komt

In zijn bereik, die altijd anders wil

Wat is, die alles hat wat blank en stil

Eeuwiglijk is, die schapt en baart omdat

Hij ook zichzelven haat, niet duldend dat

Hij zelf blijft leven, maar den dood begeerend.

Zoo zijn èn God èn menschen, die verweerend

In ‘t leven staan, en gruizend, en tot stof

Vallen de een na d’ander, een kerkhof

Van dood verlangen en verdord gebeente.

Zij maken nieuw geslacht, verlangend heen te

ZIjn zelf, hatende zich, hatend wat is,

Willend wat wordt, in woede en droefenis.

Zoo zijn ze ook niet blij met hun gevoelen

Alleen te hebben ìn zich, maar ze koelen

Hun willenswoede en zichzelve af

Door scheppingen en bouwen zoo een graf

Voor ‘t kostbaarste wat ze een oogwenk zijn,

En uiten zich. Zoo gaf eens Wodan schijn

Aan wat hij wist en voelde, hij de weter

En voeler, d’allergrootste, en nu heet er

Een wereld naar hem, hìj is arm, en dood

Zal hij eens moeten met hen zijn wereld, nood

Voelt hij al voor hen beiden, kan niet vinden

Geluk, een doodswolf zal hen beî verslinden.

Soms komen bleeke oude herinneringen

Nog in mij op en zie ik van de tinnen

Van mijn paleis de oude godenwereld

Zoo als ze was weleer, de vlakte dwarrelt

Van godendans, ik zie hun groote beelden

Op maat van muziek, en in verhulde

Figuren ken ik nog godengedaanten.

Soms bloeien struiken om mij en ik waan te

Slapen op aarde en ik zie de vlakte

Der zee, de wolken en het licht dat brak te

Gruizen eens aan den hemel, waar nu starren

Gesponnen zijn, blinkend in ‘t blauwe garen.

Soms denk ik aan een vrouw als toen gij kwaamt

Zoo even en mij in uw armen naamt,

Kussend en willend en de smart niet dragend

Van eigen voelen, uwe liefde, vragend

Verandering en blusschen van die vlam

Die gij genoten hadt en die toch nam

De allerschoonste kleuren in uw oog.

Soms voel ik nog als gij en ik bedroog

U zóó zooeven, nu ben ik weer stil

En waar in mij, en voel wat ‘k altijd wil.

Hoor mij nu, Mei: er dwaalt in ieder leven,

In ieder lijf, een vlam, elk voelt haar beven

Wel eens of tweemaal, maar niet vele malen.

De menschen noemen ziel haar, ze verhalen

Er lange wondere verhalen van,

Weten niet veel, voeden haar niet en dan

Sterft ze vergeten en alleen gelaten.

Kinderen voelen haar wanneer ze na te

Slapen gegaan te zijn, nog lang òpwaken

Gedacht’loos srarend voor zich, want genaken

Voelen ze niets, geen beeld, en ook in hen

Schijnt niets te leven of te mijmeren.

Dan voelen ze oprijzen en neerdalen

Hun leven, ademen gaan door de zalen

Huns harts en onder een hoog oppervlak

Leeft een nieuw wezen nu het oude brak.

Zoo zijn de jonkvrouwen, wanneer haar jaren

Vollere zijn en zij de lange scharen

Mannengedaanten ‘s avonds buitensluit.

Dan zit ze op een stoel, aan hare ruit,

Maar ziet niet uit, haar oogen zijn gesloten.

Zij denkt niet, levensboom is dood, maar loten

Schiet daar het dieper leven en ze voelt

Dat wuiven op windadem en windkoelt,

En huivert, draagt het niet, breekt in geschrei

Haar oogen open, dan is ‘t weer voorbij.

Mannen zijn zoo die men de dichters heet,

Een jong man zoo, die ‘t slaafsch leven vergeet

Een uur, een dag lang, en zich zelven hoort

En naar zich luistert, wat geboren wordt

Aan leven in zich en de wondre daden

Die ‘t dieper zelf bedrijft, en naar beladen

Winden met klanke’ en woorden ongehoord.

Zoo zit hij wel een uur, daardoor bekoord.

Dat leven heeft een beeld, hoor mijn geluk,

ZIe toe hoe ik den slagboom openruk,

En hoe er doordringt nu een bonte trein,

Paarden met belle’ en ruiters: schoone schijn.

Dat beeld dat is muziek, want wie kan hooren

DIen wond’ren schijn weerklinken of te voren

Breekt uìt die diepste ziel, en slaat te stuk

Een vroeger leven en zet met een ruk

Een nieuw tooneel op van het nieuwe leven:

O zonder beelden, onbegrepen, neven

Zich zonder schauw of schijn, alléén gewelde

Bobbels van lucht, zeepbellen onverzelde.

Dat is muziek, die heeft met alle dingen

Niets meer gemeen, en alle vreemde zinnen

Zijn blind voor haar, geen vormen en geen kleur

Heeft zij, zij is de lucht gelijk in heur

Afwezigheid voor ‘t oog en schijnarmoede.

Zij is de liefste, allerliefste, moeden

Die zich moe leefden aan het zien en smaken

Der volle wereld, drinken haar en raken

Haar soms met lippen, willen haar altijd —

Zij geeft van alles hun vergetelheid.

Zielsleven is muziek; dat zijn de volle

Aanzwellingen gevoel, de eeuwig gulle

Uitstroomingen van klank, de volle baden

Kokend in wentelende damp, goudzaden

Van klank, volmaakt, gerond, ronde gewelven,

Bommen van klank, en ook de zoete schelven

Waaiig van licht geluid als stapels hooi.

Sneeuwballen van muziek en uitgedooi

Van klompen ijs smeltend in eigen water,

Vogeltjes van muziek en uitgeschater

Van lachende mannen: elk een heel geheel —

Een volk van klanken waar elk heeft gekweel

Eigen aan zich, een scheepsvloot vn muziek,

elk schip heenvarend op zìjn zeilewiek,

Regen van klank verlatende de lucht,

Een zinged’ aarde met één groot gerucht.

Is zij muziek, is wel mijn eigen ziel

Iets wat ooit buiten mij, mijzelven, viel?

Dat alles is het niet, ‘t zijn woorden niet,

‘t Zijn dingen niet, ‘t zijn klanken niet, geen lied

Verbeeldt de zielsbewegingen genoeg.

Alles is beeld, is beeld van haar, en vroeg

Of laat valt het ineen in stof, zìj blijft,

Wat er ook om haar valt en hene drijft.

Wie dùs mijn ziel is, is zichzelf een God.

Ik ben mijn ziel, ik ben de een’ge God.

Er is nu niets meer dat mijn blindheid heelt,

Mijn God, mijn ziel, naast haar bestaat geen beeld.

‘k Word stil en niets bestaat meer dan mijn ziel,

Geen ding, geen woord, en niets dat mij ontviel.

Haar wil ik hebben, heb ik, en niemand

Dan zij, mag met mij wonen in dit land.

Ik wil geen toekomst, geen geheugen hebben,

Zij is altijd gelijk, zìj kent geen ebben

En vloed, zij is eeuwig, alleen, zij is,

Zij leeft door eigene ontvangenis.”

Toen stond hij op en Mei zag een blauw waas

Boven zijn hoofd, zijn anschijn blnk, als dwaas

Stond hij, de armen uit, en scheen te drinken.

Zij wist dat hij voor haar niet was en zinken

Begon ze lnagzaam, sneller, en zijn stem

Bleef in haar ooren, dat was al van hem.

 

Boek III
Bron afbeelding: dassel / Pixabay

Boek III

 

Het was de nacht

Toen alle wolken te begraven gingen.

Ik zat waar een rivier ging en er hingen

Treurwilgen over mij, waardoor de wind

Zoet en zoel weende tranen als een kind.

Het was zóó een rivier tusschen twee dijken

Als uit de bergen springt en door de rijken

Van Duitschland en van Holland naar zee gaat.

Het water gonsde, als een overlaat

‘s Winters des nachts van water, en een tjalk

Kwam soms den stroom af als een donk’re valk

Op ‘t tweetal vlerken, met karmijnrood licht

Voor op den boeg; die leek een zwart gezicht.

Menschestemmen hoorde ik uit het luik,

Terwijl het schip voortdreef, schuim om den buik.

Ik voelde mij zeer droevig, want ik wist

het droevig lot van Mei en in een mist

Zag ik nog de vergeefsche lange tocht.

En in de lucht klaagde het om me, ik zocht

Naar hare stem maar hoorde die nog niet.

Wel ‘t vochtig blazen door het jonge riet

En kleine wilge’ en berken van den wind,

En ‘t zoele en zoete weenen, of een kind

Door ‘t duister liep en zonder klagen schreide.

De takken plaste’ in ‘t water, tusschenbeide

Slokte het water gorgelend, een visch

Gelijkend, zwemmend in de duisternis.

En toen ik toen de oogen opwaarts sloeg,

Denkend, waar zou ze zijn? en ondervroeg

Elk van de wolken voor de hemelen,

–Ze leken op de groote kemelen

Zooals ze door Sahara dravend gaan —

Toen zag ik haar opeens tusschen hen gaan.

Eerst als een starre met een schemerschijn

Mind’rend rondom en toen een uit het klein

Fladdergewiekte volk der vlinderen

En toen als eene uit de kinderen

Die vogels nadoen, hoenders en kalkoenen,

Met de armen vliegende vergeefs, en toen ‘n

Lelieëbleeke, weenend, mijne Mei.

 

Haar bleek voeten trillende tot mij

Kwam ze en zat met mij te zamen aan

Den stroom, terwijl de boomen loofbelaan

Ruischten en rilden als onz’ eigen harten.

Het mijne kookte bloed, maar hare smarten

Bevroren haar van binne, en ze zei

Geheel en al niets en zat stil naast mij.

In vochte regen aan dien breeden stroom

En midden in dier droeve boomen droom.

 

En bij het komen van den rooden morgen,

Toen van het water, uit het loof, de zorgen

Heenvloden en het zonnelicht kwam huizen

Met vogels in de takken en het bruischen

Van golven vroolijk werd, toen zei ze mij

Wat ik al wist, en zei ook rij aan rij

De Balderswoorden, godd’lijk, wonderbaar.

Ik werd een tijd zeer stil en dacht veel, maar

Begreep het niet, want mijne ziel kon niet

Denken wat ze zou zijn, wanneer ze niet

Behoefte had aan oore’ en ooge’ en wensch

naar anders en naar meer: dat kan geen mensch.

 

En warmer werd het en de schaduw kwam

Onder de boomen waar wij waren, ‘k nam

Haar hand. — Wij gingen langs de dikke dijken

Waar ‘t gras langs wuift en soms bleven we kijken

Wanneer een stoomboot ver den stroom opkwam,

Met een sleep schepen, zooals men een ram

Vooraan ziet gaan voor al de tamme schapen.

Ook werd in haar weer wakker wat te slapen

Gegaan was en ze sprong wel naar beneê

En plukte een bloem en stond er droef tevree

Boven te zien en hield ze aan haar borst.

En alle bloemen wilden haren dorst

Toen stillen, en ze trippelden, en kleurig

Vonkte het daar en in de luchten geurig

Ademden ze, wij gingen aldoor voort.

En ook ter zijde af en van den boord

Die weerzijds sluit het breed rivierig water,

En groote velden in en wei, daar staat er

Een hooge boom, een zilverpopulier.

Wij zaten er en hoorden het plezier

Der bladeren — terwijl de zon hoog klom

En boven onze hoofde’ het loover glom.

 

En koeien loeiden en de boeren kwamen

Te melken en te maaien en de ramen

En deuren kenrsten van een boerderij

En wolken komend vulden met geglij

Van schaduw al de velden en van licht —

De schaduw kwam wanneer het leven zwichtt’.

 

Arbeiders kwamen ook in de bouwlanden,

En naast elkander zamelden ze de manden

Vol van de donkre aardvrucht en de rij

Gekromde mannen kropen zij aan zij.

Dat alles zagen wij heel ver gebeuren

Terwijl de zon klom en de natte kleuren

Des ochtends drooger werden en opgloorden

Eindlijk van goud en ook de klare woorden

Der bladen boven wij niet meer verstonden.

 

De stille morgen: òpblaften wachthonden

Toen boeren uit het veld kwamen te schaften.

Ze sprongen aan hun kettingen en blaften.

En maaiers legden zich diep in het gras,

Witte en blauwe hemden in het gras.

De wolken zwierven henen van den hemel,

Boven de aarde was er heet gewemel.

De zon stond roerloos boven uit te schijnen,

De aarde was een warme zee aan ‘t deinen.

Ik stond toen op en liep in ‘t weiland rond

Nu voor, dan achter haar, zooals een hond

Nu eens ter zijde en dan voor de kudde.

En telkens keek ik — en de bladen schudden

Het zonlicht boven haar, zij klein en rood

Zat stil en zag mij niet, haar oogen bloot

Flikkerden door haar tranen kleine stralen.

Ik liep dan voort en waar het eiland dalen

Ging naar een sloot, sleepte ik mijne voeten.

Er stonden bloemen die door het ontmoeten

Met mijne voeten schommelden, ik ging

Boven ze langzaam en mijn zwaar hoofd hing.

Er stond een vrouw tusschen de voorste struiken

Van een licht kreupelboschje, en de sluike

Willegetakken stonden om haar toe.

Ik kende haar wel, en zij mij, en toe

Lachten we flauw elkaâr, het was die vrouw

Die vroeger Mei ontmoet had en geen rouw

Had willen brengen om haar blijde oogen.

Zij hief den arm op en hield zoo lang haar hooge

Houding, ze wees naar Mei en zeide toen:

”Weent zìj nu ook, in deze zonnenoen?”

En dichter kwam ik bij haar, en zei haar

Het lot van Mei, zij hield haar arm op waar

Ze haar gewezen had — zoo’n pijn had ze.

Hoorde en ademde en mompelde

Zelf zìjnen naam toen ik gesproken had.

En zwijgend stonden we bijeen, ze had

Aldoor haar arm nog uit — hoog boven mij.

Wij beiden zagen haar, ver, van ter zij,

Onder den boom en eindlijk zeide zij:

”Balder en Mei, dat was een schoone droom.

Als dat geworden was, dan konden loom

Wij allen nederzitten en wel sterven

Alle demonen; en wie dan beërven

De aarde zou…maar dit is niet geweest.

Zij zit daar weer alleen — even verweesd

Als alle vrouwen zaten op de aarde,

Die hem eens hoorden en in ‘t oor bewaarden

Zijn stem — ik hoorde hem, ook ik ben bleek,

Als water is, beneê den mist, der beek.”

Ik rilde van een kouden lentewind,

We stonden nog en keken naar het kind.

Zij ging toen heen, de wilgetakken bogen

Zich om haar, ‘t hoofd ging boven het bewogen.

Haàr oogen gloeiden toen ik tot haar keerde

Mijn oogen en ik zag dat zij begeerde

Kussen en teere vingeren, zij brandde

Den hemel met haar oogen en de landen.

Gloeiende tranen vulden toen haar oogen

En zij bewoog zich niet ze af te drogen.

 

Later werd het en ook koeler toen,

De wei met schaduwen en zich opdoen

Van lichte nevel. En wij gingen heen,

Al stil rondom wijl de zon lager scheen.

Wij zagen toen den stroom ook weer terug,

Waar ‘t water schitterde, waarover vlug

De vogels trokken twee aan twee naar huis,

Zij liep met mij, niet ver was meer de stad,

Langzaam donkerder werd het om ons pad.

Der boomen stammen eerst en toen het loover,

Langer gekleurd en rood, maar ook daarover

Sloegen de golven duister en de lucht

Alleen bleef ademen een purpren zucht,

En geele glorie wellen in een glans

Den halven hemel groot, een schellepkrans,

Daartegenover dansten als fantomen

Roode verschijningen op hemelzoomen.

 

Toen zagen wij voor ons de poort der stad

En toren en daklijnen voor de mat-

Goude verlichting van de breede zee

Des hemels. Muren waren aan de twee

Zijden der poort, waarbinnen wij nu gingen.

En echo’s vingen daar wel aan te zingen

Van mijner voeten klank, van hare niet.

De avond was daarbinnen, in ‘t verschiet

Van straat en gracht hing om het blauwe duister

De schemering en in de huizen huist er

De nacht al of de lampen nog niet brandden.

De straten waren stil, maar aan haar wanden

Waar glazen waren, zat een enkle vrouw,

Een oude hier, een jonge daar, in schauw

Der kamer naar de lichtre straat te zien.

Eens hoorden ik en zij het melodieën

Achter uit huis van snaren van een veel,

Eens uit een tuin het heldere gekweel

Van lijstervink, die zat gekooid gevangen.

En zwarte menschen liepen met verlangen

Naar huis als moede beesten en de linden

Stonden aan grachten droomerig, gezwinde

Rillingen voeren soms door boomkruinen,

Wanneer een lichte wind kwam tuimelen.

 

Mijn huis was op den stadsmuur opgebouwd,

Ik deed het open en wat binnen rouwde,

De duisternis, werd licht toen zij intrad.

Het was zooals juweel uit een kroonschat

Die uitbeleend wordt in een donkre wijk

En in het huis ligt van een Jood en rijk

Dat duister maakt met gloed en flikkering.

Zoo was zij daar, de kamerzoldering

Schemerde en de donkre hoeken grijnsden.

Hoog was die kamer in het huis, er deinsden

Boomen beneden aan de lage straat.

Het raam was open en zij had ‘t gelaat

Naar buiten waar de zwarte daken waren

Als doodskisten gezet op hooge baren

Voor de begrafenis in zwarten grond.

Een enkel lichtje brandde in het rond

En schimmen sprongen langs verlichte ramen.

Een toren stond niet ver af met de namen

Der twalef uren op de wijzerplaat

Flauw zichtbaar, en beneden in de straat

Hoorde ze mannen spreken met elkander.

Een flauwe reukbeladen wind, als brandd’ er

Heel ver af wierook ergens in een schaal,

Gestold uit bloemenat en dauw, woei vaal

Voorbij en bij ons in, en de rivier

Gonsde en ronkte niet ver als een dier.

Ik hoord’ en zag het ook wel, duizelde

Mijn hart niet zoo in mij en suizelden

Mijn ooren niet en sloten mijne oogen

Niet bijna toe. Ik dacht niet, er bewogen

Nieuwe zinnen in mij, terwijl ik zat

Ver in het duister en mijn handen nat

Waren van angst om haar gestalte, daar

Ze stond zooals ik voor het eerst zag waar

De wilgen blauw waren voorbij den stroom. —

Toen zagen wij te zamen uit, een droom

Leek ‘t zwarte stadje daar voor ons te droomen

Met al zijn lichten uit, een man wien loome

leden geleiden naar zijn leger, dan

Droomen bezoeken, een dof droomend man.

En ook ik legde mij toen neer te slapen

Maar sliep niet, en zag haar, en dikke schapen

Van wolken langs den hemel door het raam,

–En haar zag ik — en zij liepen te zaam

Omhoog, ik zag ze een voor een verdwijnen.

De maan scheen, maar ik zag haar niet, wel ‘t schijnen

Der sterren en toen ook hun tragen gang

Over het huis heen, moeielijk — en bang

Bleef ik van hart, zij doodstil aan het venster.

Alles was donker en de stilte wenscht’ er

Klanken en woordgeraas, en aamde zwaar

Van haar naar mij, van mij tot haar, een schaar

Van lange zuchte’ in hangende gewaden.

terwijl de stilte peinsde om te raden

Geluid dat komen zou, terwijl ze ried

En peinsde nog en luisterde, een lied

Speelde daar al en floot een nachtegaal.

Het werd geboren uit de stilte, taal

Van stilte zelf, alsof het zwijgen sprak,

Onmerkbaar overgaand in spraak die brak.

 

Haar bracht te zwijgen ander klokkespel,

gezongen van den toren, door één schel

En toen nog vele andre van metaal.

Een boom van klokken en een kort verhaal

Van de oude toren, met zijn jonge stem.

En Mei keek naar hem op en hoorde hem.

Toen kwam ze binnen en sloot toe het raam

En lichtte door de kamer, handen saam

Hield ze, en liep een tijd lang heen en weder.

En stond toen stil en zat en legde neder

Zichzelve naast me, naar me toe gewend.

En haar nabijzijn maakte als een tent

Over mij heen van veiligheid en schemer.

Voor mij zag ik twee vlammen en gewemer

Voelde ik om mij van dier vlammen licht.

haar oogen blonken, van haar aangezicht

Woeien naar mij, op mij, haar ademen

Met breede armen en omvademen

Kwamen zij mij mijn wangen en mijn hoofd.

En voller kwamen ze en loeide’ en loofde’

Hun koelte en laafden mij, en een diep water

Maakten ze dompelend, als stroomen water,

Gesmolten en gezwollen door een lent’,

Die hare winden naar de bergen zendt.

Daarin verzonk ik en mijn lijf verdronk

In ademen van slaap en ooggelonk.

En zij lag heel stil, als soldaat op wacht,

De voorste voorpost, luis’rend in den nacht

Of hij den vijand hoort, hij denkt aan huis,

Aan veel wat ver is, hoort toch elk gedruisch

Met erg en argwaan breken door den nacht.

Eerst vlogen wel langs ‘t raam op veereschacht,

Eén veer droeg hen gemakkelijk, lichtelven,

En stonden toen er voor en in zich zelve

Peinsden ze lang en praatten niets, één zei

Toen eind’lijk iets, ze lachten toen voorbij.

 

Wel kwam een jonkvrouw aan: dat was haar zuster,

En keek op haar, bij ‘t raam staand’ en ze kust’er

aar vingers voor, hoewel ze d’oogen wischte —

Juni, een lichter licht rondom haar mistte. —

 

Maar onderwijl sloeg binnen haar een trom

Een doodsroffel — zoo gaan soldaten om

Voor ‘t laatst met dooden makker eer hij ligt

Onder de aard’, verborgen voor het licht.

Ze voelde het begin van kouden dood

In zich en ‘t was of stierven in haar schoot

De kinderen van wenschen en verlangen.

Ze lag naar boven en ze liet de lange

Lokken ter neer vallen ter legersteê.

Haar boezem ging met adem, adem, mee,

Haar bloote, bleeke voeten blonken in

De schaduw heel ver weg en om haar kin

Lichtte een blauwe ademing van vlam,

Haar handen lagen naast elkander, klam

En fijn gevingerd op ‘t geweven kleed.

En aldoor was ‘t of binnen haar omschreed,

Zooals een wind die omgaat ‘s avonds laat,

Zooals een kind dat ‘t oude huis rondgaat

Voor hij ‘t verlaat en nog wat speelgoed ziet,

En er mee staan blijft: ‘t is zoo groot verdriet.

 

En ‘t werd in haar zooals een woud in winter

In vreeselijken winter, als de wind er

Vergeefs blaast en de stijve stamme’ en takken

Zich harden ruw en op de open vakken

Bevroren gras, als steen staan en de maan

Zijn straal als ijs stort in de boomenpaan.

 

Zij huiverde en deed mij zoo ontwaken:

Zij leek een bloem, die onder het sneeuwlaken

Kou lijdt, niet slapen kan van kou en sneeuw.

Of als een vogel, sneeuwwitte zeemeeuw

Met roode pooten — ‘k leunde op mijn arm

En ademde op haar en weder warm

Werd ze als immer, zij een bloedebloem —

En toen maakte ik mijn adem tot den roem

Van adem, golfjes klank, veeren van klank,

En zong een liedj’ en zweeg, ze zei haar dank

Nog niet, want òp zat ze en zag mij aan

En zei als wou ze in haar stem vergaan:

”Gij zijt als hij, als hij, in uwe stem.”

En toen kuste ze mij, maar kuste hem

Op mìjnen mond, en toen op mijne oogen,

Maar hare oogen waarden in den hooge.

 

Toen werd het weder morgen en het pruilen

Der schemering begoon en toen het huieln

Van grijze tranen licht, en ongedegen

Zilveren druppe’, een parelmoeren regen.

En eindelijk daar waren àl de stralen

Der zon, die ‘s morgens wonderen verhalen,

Splinternieuwe en van fijn goud zijn.

En wij herlefden in der kleuren schijn

En stonden en wij zagen weer elkaar,

Zij mij, ik haar in ‘t goud van ‘t hangend haar.

 

Toen zei ze vele zoete woordekens,

Een vogel ‘s morgens, ‘k had maar &eaute;énen wensch,

Dat zij daar blijven kon met haren mond

Waarom zich ‘t ranken van bloemwoorden wond.

En onderwijl stonden wij uit te zien

Naar ‘t gouden blauw en naar het vlugge vliên

Der stralen op en over blauwe daken.

De lucht werd door het licht verguld, te blaken

Stond op den kerktoren de gulde haan,

En hier en daar fladderde een windvaan

Nog wispelturig op onstagen wind.

Heel ver weg vloog en blonk het stroomelint

Wimpelend door de weiden, waar de ossen

Rustig in stonden en de wilgen losse

Takken bewogen en de blaân als vlaggen.

Klare meerplassen lagen er te lachen

En schaterden van zon, de overstrooming

Had ze daar nagelaten en de koning

Der zomerzon ze nog niet opgedroogd.

Het stadje lag met wallen opgehoogd,

Daar vlogen onze blikken in als duiven

Na het omvliegen in hun til, en wuiven,

Wuivelen zagen wij de buitenblaân

Der boomen, binnen groen licht, onderaan

Een enk’le stam de grijz’ en geele steenen,

En in de gracht een trekschuit schuivend henen,

Toen vroeg ze mij te zien der menschen stad,

Wat die voor werke’ en wezens in zich had.

 

Daar was een klein plein aan de watergracht

En boombeplant, vol schaduw en aandacht

Van dunne gouden zonnestralen, die

Door olmebladen kwamen met gespie

Nieuwsgierig, waar de hoenderen in blonken

Goudbruin op zwarte aard, de haan te pronken

Zijn dos opschudde en zijn rooden kam.

Een geele wipbrug lag daar en er kwam

Een trekschuit doorglijden vuurrood van kiel.

Het water rimpelde, de vuurkleur viel

Bibb’rend tot aan den oever in ‘t gekabbel:

Tegen de schoeiing klonk het nat gebabbel.

Nog was het stil, wij zaten toe te zien

Bij een straathoek: er kwamen meerdre liên,

Een vrouw naar buiten, strooiende geel graan,

De hoenders kakelden en vlogen aan

En aten gulzig — en toen ging er open

Een deur en kwam een jongen uitgeloopen.

Stil werd het toen een poos, het zonlicht klom,

Over de gevels schijnend hel en stom.

 

Een werkplaats lag er aan dat kleine plein,

De dag was aangegroeid in zonneschijn —

Die was vol koelte en van donker hout

Bevloerd en ook gezolderd en zeer oud

Leken de ramen, waar looflicht door scheen

Door de olmen buiten, en daar kwamen heen

Oude en grijze mannen om te werken.

Er lagen houtstapels: de eikesterken

En ‘t spleet’ge vurenhout van uit het noorden.

De werklui namen het en zonder woorden

Schaafden en klopten ze met timmering,

Bedrijving in de groene schemering.

 

En nog een andre was er aan dien kant,

Ook donker: en er voor lag het vol want

En touwwerk en scheepstuig, de houten blokken

En ankerkettingen en rondgetrokken

GEstapeld henneptouw, er binnen zaten

De oude zeilmakers, hun gelaten

Dicht op de naald, in ‘t wit, voor hen het zeil.

Wij stonden er en keken toe een wijl.

 

Wij gingen verder terwijl heel de stad

Onder de zon kwam en er als een bad

Zonlicht in omviel, dat de trappengevels

Van rooded steenen droogden en de nevels

Van glans die ‘s morgens vroeg overal is

Dampten: het overschot nachtdroefenis.

 

En door de straten zagen wij naar buiten

En door de poorten, die zooals de ruiten

Zijn in het huis: daar vloog de buitenwind,

Laaide het vlammend licht en staarden blind

De plassen zich, de sloten, de rivier.

Daar kwam een groote wagen: het trekdier

Stapte en trok, verstoppende de poort.

Hier een troep schapen, en ze liepen voort

Dat vachten wolzij schommelden, een ruiter,

Een boer te paard kwam aandraven, het tuitt’ er

Van flikkering en jongens schreeuwden dol

En vochten op hun klompe’, een kroeg liep vol.

 

De buurten in die aan den stadswal zijn,

De daken waren laag, de deuren klein,

Gras in de straten, mannen niet tehuis.

Alleen de vrouwen, luist’rend naar ‘t geruisch

In ‘t huis van vliegevleugels, naar ‘t gestap

Van voeten op de straat, en naar ‘t geklap

Der buredeuren. ‘t Sling’ren van een pomp

Hoorden wij wel en zagen soms den romp

Van een oud vrouwtje, die het natte linnen

Te droogen legde op de heg, en binnen

In huis schreide soms een zuigeling. —

Lang zaten wij daar op den breeden ring,

Den stadsmuur, waar de kamperfoelie klom

Omhoog met wingerden, klawieren krom

Kropen de muur over, de gracht benee

Was als een schor nat, van de Zeeuwsche zee.

 

En daar ook deed ze mij verscheide vragen,

Vragen hoog klimmende in fijne wagen

Van hare stem als tegen heuvels op:

We spraken lang, terwijl we van den top

Der kerketoren telkens de uren hoorden.

Nooit waren tonen zoet als die ik hoorde

Suizelen van haar mond, de lucht inklimmen:

Voor mìj omneveling van alle kimmen

Met tranendampen, en een wereldgroot

Gevoel in mij. Ze sprak me van haar dood.

 

Wij keerden ook weer in de stad terug —

De zon week uit de straten al terug

En was veel lager aan de Westerkant.

De straten waren stil en aan den band

Der effen grachten lagen stil de schuiten.

De steenen werden paarser om de ruiten

Die zelf ook blauw besloegen, het gordijn

Ging hooger in de ramen van ‘t kozijn.

Toen werd het zonlicht west’lijk weggedragen

Zooals een Oostersch heer, die op zijn wagen

Lang omgereden heeft door zijne stad,

En nu ‘t paleis genaakt. ‘t Gelaat is mat

En lichtgeel en lichtgoud onder den waaier.

Zoo ging de groote zon heen met gelaaier

Van licht rondom zich, in een palankijn

Van gloed karmijn, fluweel zoo rood als wijn.

 

En groepen vrouwen kwamen op de straat

Bijeen, die troosten ‘t leven met gepraat,

Haar moeilijk leve’, en grijsaards die het laat

Leven het meest genoten zaten stil

Dicht onder huis op stoep, door hunnen bril

Rustig de mensche’ en dingen aan te zien.

Een steiger stond nog voor een huis, van dien

Kwamen de mets’laars klimmen in een rij.

Een jong man met blond haar was ook daarbij,

Die bleef nog staan heel boven op den steiger,

Zooals men ziet in ‘t woud den blauwen reiger

In ‘t topje van den boom staan — hij keek rond

Naar den roodgeeln en zwarten dagavond

En lachte in den avond, en een lied

Neuriënd dalend, wist hij ‘t zelve niet.

 

De nacht kwam weer, schoon lampen nog niet brandden.

De straten werden stil, maar aan de wanden

Waar glazen waren, bleef een enkle vrouw —

Een oude hier, een jonge daar, in schauw

Der donkre kamer naar de straat te zien.

Eens hoorden ik en zij het melodieën

Achter het huis van snaren van een veel,

Eens uit een gang het heldere gekweel

Van lijstervink, die zat gekooid gevangen.

En zwarte mannen kwamen met verlangen

Naar huis als moede beesten en de linden

Stonden aan grachten zwaar van slaap, gezwinde

Rillingen voeren over het grachtwater,

Wanneer de wind zich neerlag op het water.

 

Toen dan de nacht er was, de zwartgehande,

De zwartgeborene die tot een schande

Der aarde is, beklommen wij het huis.

En in dien nacht zaten wij samen thuis

En sliepen niet en droomden niet, de zangen

Van slaap en dood die zongen we, die wangen

Verbleeken en benauwen in de keel.

hartstochtelijke stem. Voor mij, bleekgeel

Zat Mei weer en haar mond stond altijd open

En liet de klanken door, die als bij hoopen

Mannen en vrouwen bij begrafenis

Uitliepen, op een dag van droefenis.

Zoo zong ze soms alleen en soms wij samen

Als sombere bedroefde koren, namen

Van vele dingen die ze had aanschouwd.

beefden nu weer van hare tong, berouwd

Door klaaglijk lied, eentonig lang getreur,

Heel soms een blijde noot, wanneer ze heur

Oogen deed lichten, en haar hoofd een baken

Gelijk werd, en haar armen vooruit staken.

Maar dan zonk ze terug in droefenis,

Met hare armen en de duisternis

Die trilt voor de oogen en als blindheid is.

Wij hoorden buiten niets, zooals een graf

Was mijne kamer, dat ligt heel ver af

Van aller menschen schreden in den schoot

Der warme woestenij, en ‘s avonds rood

En ‘s morgens rood schouwen er over heen —

Zoo schouwden ook de oogen van ons tweeën.

En zoo kwam eindelijk de laatste dag,

Brandstapel van een dag, het fel gelach

Der vlammen om het arme brandend hout.

Toen het nog schemerde en ‘t om ons koud

Van morgenlicht werd, kwam ze dichter bij me,

En knielde aan mijn knieën en ze lei me

Het hoofd zoo zwaar van haar daar neer en toen,

Terwijl mijn hand op hare lokken was, een zoen

Kuste ik op het blonde haar, bleef zij

Zwijgen aldoor en eerst zonder geschrei,

Zooals een kind, maar ‘k voelde adem schokken

En branden uit haar mond. En toen als vlokken

Van sneeuw zoo langzaam, dreven groote tranen

Haar wangen af, — En zooals ‘s avonds ‘t tanen

Van ‘t zonlicht is, zoo zag ik nu uit haar

Veel licht verscheiden — zij, als een altaar

Waar ‘t vuur maar flauw brandt in den donkren nacht,

Bleef over, maar waar één vonk gloeit en wacht.

 

En toen zij opstond, stond ik ook naast haar —

Nog fonkelde zij voor mij van heur haar

En van haar oogen — lei ze nog haar hoofd

Dicht aan het mijne en ik zag gedoofd

Worden haar oogen weder door haar tranen,

En de armen om mij, zooals van de mane

De armen zijn, zoo fijn en ook zoo licht.

Zoo bracht ze ook haar droeve aangezicht

Dicht aan het mijne en bleef heel lang staan,

D’oogen in mijne, mijn hart ging vergaan.

Toen ging ze heen, terwijl haar mond niet sprak,

Achterwaarts heen, ik zag haar in het vak

Der deur staan, met de ooge’ aldoor op mij.

Toen ging ze heen en was ik zonder Mei.

 

En toen ze kwam in ‘t licht en dronken buiten,

Bedronken door den nacht, en dat te muiten

Des morgens slaat uit duister en zich kiest

Een opperhoofd: de zon, en zich verliest

Voor hem en voor zijn glans, waarin het valt

En sterft en opgaat na den doodstweespalt

Met duisternis, die òòk sneeft: Daar bleef hij

Met al zijn schijn alleen en trotsch en blij.

 

En droevig eenzaam kwam zij in dien dag.

De boomen maakten in hun loof gewag

Van morgenwinden en de jonge vogels

Zaten er op de wallen of als kogels

Vlogen ze van een tak boven den muur.

De klokken sloegen een vroeg morgenuur,

En droomerig en droevig gleed ze voort,

De poorte uit, een dijk langs en het boord

Des grooten strooms die met zijn water vocht.

Ze dacht aan mij en hoe ik wezen mocht

Nu zonder haar en of ik eene lief

Spoedig zou vinden, die ik even lief

Zou hebben als ik haar wel had gehad.

Toen dacht ze aan den dood en keek naar wat

Dood in het gras kon zijn, maar dat was niet

De dood noch droefheid. Want het leven schiet

In lente ied’re bloem en ieder kruid

Vol krach en glans, en recht de aarde uit. —

En zoo werd droevig hare laatste dag.

 

Maar zon, haar vader, ving toen met een lach

Een nieuwer glanzen aan en toen terstond

Wikkelde hij het louterst licht daar rond,

Dat zamelend wat anders van zijn kussen

Het beste van de aarde ten deel valt, tusschen

De bergen reinen meren, berg van sneeuw

Ons onbereikbaar, en in ééne eeuw

Misschien het aanzicht van een enkel mensch.

Dat zag ze, en ze voelde in zich wensch

En toen ook werk’lijkheid van zoo te zijn,

Zoo koel als ‘t goud, zoo koel als ‘t kind dat klein

Nog is en tusschen vreugd en droefheid leeft.

Zoo werd ze en de rijke zon omweefd’

Eén sluier na de andre om haar oogen.

Eén horizon verdween na de ander, hooge

Blauwende hemel en van zeer nabij

Had boom en loover een verguld kleedij.

Alles was ééne kleur, alles gelijk,

Zij zelve voelde in zich even rijk

Als wie voor goed alleen is en niets kan

Nu meer verliezen of verkwisten dan

Alleen zìjn leven en zijn eigen zelf.

En in dat godsgeschenk, dat goudgewelf

Liep ze al voort en voort, het schoof met haar,

Zij zelf het goudst daarin, het gouden haar

Een korenschoof rondom haar waar de aren

Uit neerhangen en zich de schoof omscharen.

Toen kwam ze — o ik weet wel waar het was,

Het was in ‘t jongste ongereptste gras

Tusschen vier eiken die hun roode blaan,

Nog rood hadden van ‘t lentebloed, te schaân

Door niets, maar wel door ‘t morgenlicht te kussen,

En dan aan ‘t trillen en elkaar te sussen.

En vol van haren gloed werd die kapel,

De onderzij der bladen glommen schel,

Blauw was de hemel tusschen ‘t groene loof,

Het roerloos loof, de wind was stil en doof.

 

Dat was der aarde heiligst heiligdom,

Zij stond er: alles recht en niets meer krom,

haar hals niet en haar knie niet, zonder zorgen.

Zoo stond zij op dien laatsten dag, dien morgen

Het schoonst, het guldenst wat op aarde is.

Zij dacht no veel, maar tot bekentenis

Kwam niets meer in haar kalmte: één gevoel

Hield ‘t roode bloed en ‘t blanke lichaam koel.

 

Zóó als op zomermorgen binnenzeilen

De groote zee een schip komt, zwaar met zeilen,

Maar licht zich heffend op der golven vloed,

Het hoofd in ‘t reine, in het schuim de voet,

Zooals de bark die zomermorgens komt,

Zichtbaar uit duisternis, van nacht ontmomd,

Zichzelve sieren met de gouden wimpels,

De zonnestralen aan den mast en rimpels

Ook wimpelend van goud voor om den boeg —

 

Zóó als een bloem van zomerrood, papaver,

Rustig vol staat, midden in gedaver

Van zonnevuur dat valt den grond in stuk

En smoort en schroeit het gras: maar zijn geluk

Blijft even groot: hij laat zijn roode vaan

Wapp’ren op wind of in de zon stilstaan —

Zóó stond ze in het grootst en stilst genot,

Het onbegrepen’, in den gloed van God

Den Vader, en hield recht het hoofd omhoog,

Haar armen stil, terwijl niets òverwoog.

En teer begon het hoofd over te neigen

Toen ‘t volste uur gevuld was, en te zijgen

De wimpers droom’rig neer, heel langzaam aan.

En teeder bleeker werd ze, af en aan

Voer bleek en rood op hare moede handen.

Nevel van goud week uit, uitzettend wanden

En walleschansen licht en medenemend

Al wat niet gansch’lijk rein was en heenzwemend

Met levend’ elven dat het heiligdom

Alleen voor haar zou blijven, als een kom,

Een klare vijver waar heel niets in drijve

Dan ééne zwaan en die nog roerloos blijve.

 

En rondom werd het schaduwlooze gras

Besprenkt met vonken als een waterplas,

Zooals de groote meeren van de zee

Wanneer de zon staat in de middagstee.

 

Zóó als een zonverlichte groote toren

Dien blok op blokken metselsteenen schoren,

Omhoog is ‘t fijn graniet en schijnt de zon,

De avond komt en van den horizon

Komen de stralen, hij wordt donker ouder

En van zijn voeten tot den hoogen schouder

Is hij vol schaduwen en ouderdom —

 

Zóó als een eik die op de bergen krom

Boog van de vlammen waar hij zich verbrandt,

Bliksemgetroffen, ‘t kleinste takje brandt:

Een huis van vuur geleek hij op de hoogte.

Een donkre regen viel en doofde, boog te

Vallen den zwartenden verkoolden stam,

Op enk’le rakken danst nog weinig vlam —

 

Zóó als die bloem van zomerrood, papaver,

Rimpelt zijn rood, verwelkend, en zijn staaf er

Zijn teeren stengel langzaam buigt omlaag —

Zoo boog ook Mei langzaam haar hoofd omlaag

En bleek en bleeker werden hare wangen,

En flauw en flauwere werd ook het verlangen

Dat in de oogen brandt der sterveling.

Al verder en al verder week de kring,

De wollige band van vuur, zooals de ruiters

Die uitrijden uiteen en op de muiters

Een aanval doen: ze maken ‘t heel ver stil.

En in zich voelde zij het laatste: wil

Den allerlaatsten wil der stervenden,

Den wil tot doodzijn die het zwervende

Menschengeslacht doet stilstaan en hen drijft

Van zelve naar den grond waar ‘t lichaam blijft.

Ze duizelde en in die duizeling

Werd ze zoo licht, een veer die uit den zwing

Der duive valt: ze daalde en viel niet:

Zoo valt een riethalm over in den vliet.

 

Zóó als een kind dat in het leven was,

Zóó a;s een bloem van zomerrood in ‘t gras,

Roode papaver die nu neder ligt,

Zoo lag ze en der zonne laatste licht

Scheen op haar, maakte haar een weinig rood

En goud voor ‘t laatst — en ging toen met haar dood.

 

De maan kwam toen ze daar gestorven was

En kwam over de aarde, uit het gras

Nam ze en beurde het doodkoel lichaam.

Wat was er over van haar warmen naam?

En zoo met blauw licht om zich, en gelaat

Van dreofheid grauw en met een grauw gewaad

Van rouw en droefheid achter zich, ging zij

Hoog over de velden en kwam zoo tot mij.

Ik zag haar toen ze stond buiten de stad,

Het kind in hare armen, en ik zat

Niet meer, maar ging tot haar, en ging mee, neven

Haar, zóó hoog dat ik ‘t kind zag, opgeheven.

En toen wij kwamen bij den grooten stroom

Daalde ik weer, zij legde aan den zoom

Het bleeke kind en wijl ik weende, weende

Mijn oogen en mijn hoofd stuk, ging ze en scheen de

Wereld vol van licht van uit den hemel neer.

Ik wist wat ik zou doen en haar begeer,

En in een boot ging ik den stroom toen af,

In gonzend water door laag land — daar gaf

Hij ‘t water in de zee, daar steeg ik uit.

En langs het strand ging ik met haar, geluid

Maakten wij niet, maar werden toch gehoord.

Want uit het land kwamen de elven voort

En uit de lucht de hemelnevelingen,

En uit de zee tritonen en te zingen

Begonnen zij dicht achter mij gezang.

En toen de twalef uren die al lang

Wachtten op haar en op hun droeven plicht:

Ze hadden eene baar en het gezicht

Omhoog, droegen ze haar al ver en verder.

En ik vooraan, ik, die haar goede herder

Geweest was en er achter altijd meer:

Ze kwamen uit de duinen keer op keer

Glijden en dalen en uit alle golven

Staken er Tritons en het lijf bedolven

Zongen en zongen ze het lijkmisbaar.

Totdat we kwamen aan de zeezoom, waar

Zij ‘t eerst geland was, daar hielden wij stil.

De duinen werden vol en het geril

Van ‘t eeuwig brandend water stond vol ook,

Lichte gestalten, als verlichte rook

Zweefden er boven ons ook vele om.

Toen speelden eerst de gnomen op hun trom

En toen de elven op hunne cymbalen,

Toen Tritons, toen wij alle saam, verhalen,

Lange verhalen zang en droefenis.

Toen werden de uren van hun taak gewis

En zetten haar daar neer en lieten mij

Met haar alleen en gingen in een rij,

En zagen met de andren samen toe.

Ik groef een graf waar golven komen toe-

Dekken het zand en legde haar daar neer,

Daarover zand: de golven komen weer

En dalen weer met lachen of geschrei —

Daar ligt bedolven mijne kleine Mei.

 

Herman Gorter

Naar boven

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

The contact form of this website was disabled. The project "The Ministry of Poetic Affairs" is no longer an active project. See for more information: www.letsagreeitsart.com.

%d bloggers liken dit: